Tagarchief: Stephen King

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Advertenties