Tagarchief: sprookje

Wolf en een beetje Roodkapje

Dat arme oude vrouwtje, denkt Wolf. Hij ziet het blije gezicht van Roodkapjes oma al voor zich als hij haar straks zijn zelfgeplukte margrieten komt brengen. Oude mensen zijn eenzaam, dat weet iedereen. En ze is nog ziek ook. Een bloemetje of drie nog, dan is het wel genoeg.

Met de margrieten tussen zijn voetkussentjes geklemd staat hij even later voor een klein huis van witgeschilderd baksteen, midden in het bos. Daar woont ze. De kanten gordijnen voor de ramen zijn gesloten. Roodkapje is er nog niet, die heeft hij zojuist op een open plek zien zitten met een knul. Hij liet zich maar niet zien, maar hij hoorde haar wel zeggen dat ze niet lang kon blijven, omdat ze haar zieke oma boodschappen moest brengen. Naast haar op het mos stond een enorme shopper van de Lidl. Toen Wolf wegsloop zag hij nog net hoe ze een zak mini-Snickers uit de tas trok.

Hij heft een harige klauw en tikt met zijn nagel op de deur.
‘Wie is daar?’ Oma klinkt zwak, beverig.
‘Ik ben het, Roodkapje!’ antwoordt hij ondeugend met een hoge stem. Hij moet er zachtjes om  giechelen. Wat zal ze opkijken.
De krachteloze stem van Oma klinkt opnieuw. ‘Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.’
Wolf pakt het rafelige touwtje dat uit de brievenbus hangt en trekt. De deur zwaait piepend open. Met één grote sprong staat Wolf midden in de kamer, vlak naast het ziekbed van Oma. ‘Tadáááá!’ schreeuwt hij met een brede lach, zijn voorpoten kolderiek gespreid.

Maar er is iets mis, het klinkt niet als tadáááá, het klinkt als een grauw. Oma verbleekt. Ze grijpt de karaf water van het nachtkastje en gooit die tegen zijn snuit. Wolf krimpt in elkaar van de pijn.
‘Niet doen!’roept hij, maar dan staat ze al voor hem en slaat hem met een zware bijbel links en rechts op zijn kop. ‘Wég!’ schreeuwt ze almaar, ‘wég beest, wég, wég!’
Wolf valt schuin tegen het harde voeteneind van het bed en zoekt om zich heen naar een uitweg, maar de deur is dicht. Oma staat vlak voor hem en hij kan nergens heen. Haar klappen lijken harder en harder te worden, hij hoort haar raspend uitademen bij iedere slag. Zwarte en rode vlekken dansen voor zijn ogen. Hij jankt en huilt tot zijn muil steeds verder opengaat, almaar wijder, en hij voelt de bijbel en de bottige handen van Oma tegen zijn tanden en dan slaan zijn kaken dicht.

Het is stil in het huisje. Oma is verdwenen. Wolf kijkt omlaag naar zijn buik, die zwaar en rond aan  zijn romp hangt. De margrieten liggen vertrapt op de roodgevlekte vloerlatten. Wolf gaat op de rand van het lege bed zitten en slaat zijn klauwen voor zijn ogen.

Advertenties