Tagarchief: spanning

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Advertenties

Tropenverhaal is nieuwe VrouwenQuiller

.

Mijn nieuwe verhaal ‘Een interview in de tropen’ is vandaag geplaatst op de site van VrouwenThrillers.nl. Een quote:

Sinds september 2009 houdt VrouwenThrillers.nl een open wedstrijd voor (aspirant) schrijvers en schrijfsters: de VrouwenQuiller (spreek uit: “VrouwenKiller”). De VrouwenQuiller is een “Quick VrouwenThriller”, een spannend verhaal in maximaal 4000 woorden.

Leuk initiatief, nietwaar? Mijn verhaal ‘Een interview in de tropen’ is de nieuwe VrouwenQuiller. Een verloren man met een geheim motief, een onomkeerbare daad op een tropisch eiland en een rijke, maar niet zo aardige vrouw: dat kan niet goed aflopen. Laat me weten wat je ervan vindt! Hieronder de eerste alinea’s van ‘Een interview in de tropen’, klik door om het hele verhaal te lezen.

Een interview in de tropen

Het huis was nog groter dan op de foto’s die Michael Kinan ervan had gezien in glossy magazines. Hij nam aan dat het gebouwd was van beton, zoals de meeste huizen op Aruba, maar de muren waren wit bepleisterd en versierd met glanzende natuursteen. Rode dakpannen, balkons met sierlijk gedraaide spijlen en uitbundig bloeiende bougainville. Zijn oog viel op een naambord aan de gevel: Barracuda Home, in schuin sierschrift. Het tuinpad vertakte zich vlak voor de deur naar rechts. Richting de kust achter het huis, veronderstelde hij. Het helderblauwe water van de Caribische zee was vaag zichtbaar achter de bloeiende planten en de palmen rondom het huis. 
Eindelijk was hij bij de voordeur. Het verbaasde hem dat hij zonder meer had kunnen doorlopen zonder dat hem een haar in de weg was gelegd, tot hij de beveiligingscamera boven de deur zag. De donkere lens was op hem gericht.
Lees meer

Fragment van verhaal Thuiszorg

Met het verhaal Thuiszorg heb ik de tweede prijs gewonnen in thrillerwedstrijd Duistere Signalen. Binnenkort verschijnt de megadikke, gelijkluidende verhalenbundel met dit verhaal, en alle andere verhalen die door de jurering zijn gekomen. Lijkt me een heerlijk boek.

Hier een fragment, de eerste alinea’s van het verhaal. Klinkt nog niet als een thriller, hè? Klopt, de spanning volgt pas later in het verhaal.

Thuiszorg

Zijn vingers bewogen soepel langs de snaren van de harp. Elke snaar die hij beroerde vibreerde met een zuivere toon, een kristallen druppel in de mist van straatgeluiden en het zoemen van de koelkast. Een regenbui van fonkelheldere klanken doordrenkte de hoge kamer van zijn smalle woning aan de gracht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan Liebestraum van Liszt.

Een bons, een klap en dan een gierend loeien, boven de muziek uit. Door het matte glas van de kamerdeur zag hij een jonge vrouw door de gang heen en weer lopen. Ze duwde een stofzuiger voort. Zijn vingers vervolgden automatisch hun dans langs de snaren maar de betovering was verbroken. Toen de vrouw de kamerdeur openduwde met haar elleboog terwijl ze met haar andere hand de ouderwets grote stofzuiger langs de deurpost naar binnen sleurde, gaf hij het op. Hij liet zijn handen zakken. De harp trilde na met een enkele noot die verdween in het kabaal van de stofzuiger.

Verhaal: mee met mama

Mieneke staat nog buiten! De maartse bui roffelt tegen de ramen, druppels stromen in riviertjes naar beneden. Hoe kán ze die kleine zijn vergeten! De kap van de kinderwagen zal de regen niet lang tegenhouden. Zo snel ze kan rent Corry naar de achterkant van het huis. Het duurt veel te lang, de gang lijkt eindeloos, dat oude huis is ook zo groot. Ma zei al dat ze nog veel te leren had over het moederschap, en ja hoor, bij de eerste de beste regenbui vergeet ze dat haar baby in de tuin ligt te slapen. Haar eigen lieve meisje. Corry’s keel wordt dik en pijnlijk.

Haar benen trillen van de inspanning. Ze struikelt over de ongelijke tegelvloer en komt met een klap tegen de tuindeur aan. Dwars door de dikke druppels op de ruit ziet ze de kinderwagen op het plaatsje staan. De donkerblauwe kap lijkt glimmend zwart door alle nattigheid. De dekentjes bewegen schokkerig, er komt een roze armpje onder de kap vandaan, de vingertjes krampachtig gestrekt in onhoorbaar huilen.

‘Ik kom eraan Mieneke, stil maar, mama komt al!’ Corry draait aan de deurknop, maar de deur blijft dicht. Ze draait nog eens, rukt aan de knop, slaat op de ruit. Haar kin begint te bibberen. ‘Ik kom eraan, stil maar, ik kom eraan!’ Ze schreeuwt het uit, rammelt aan de deur. ‘Ik kom eraan…’ Haar stem breekt. Ze slaat nog een keer tegen de deur en blijft staan, haar voorhoofd tegen de ruit gedrukt. Het glas wordt wazig door haar tranen.

‘Mevrouw Vaassen? Corry?’ Ze kijkt op. Naast haar staat een jonge vrouw met een mollig gezicht. Ze houdt een blonde baby in een pluizig dekentje omhoog. ‘Hier, uw kindje. Ga haar maar knuffelen, dat vindt ze vast fijn’.
Corry’s ogen worden groot. Ze aarzelt. Dan glimlacht ze, opgelucht. Ach ja, Mieneke ís helemaal niet buiten. De kinderjuf paste op haar. Ze bedankt de jonge vrouw, maar op een of andere manier klinken haar woorden niet helemaal goed. Het geeft niet. Voorzichtig neemt ze het bundeltje over. Denk om het nekje, goed ondersteunen. De blauwe ogen van de kleine Mieneke staan wijd open. Corry wiegt het kindje zachtjes heen en weer. Kom maar schatje, mee met mama.

Prya blijft nog even kijken of de oude dame wel goed terugkomt in haar kamer. Soms blijft ze na zo’n emotionele uitbarsting een paar dagen erg verward. Haar collega’s in de kantine van psychogeriatrische zorggroep Hibiscus hadden het er al over: ‘Het gaat regenen, dat wordt weer gedoe met mevrouw Vaassen. Houd haar babypop maar in de buurt.’
Langzaam schuifelt mevrouw Vaassen haar slaapkamer in. Ze drukt de plastic baby in het wollen dekentje stevig tegen zich aan. Haar gezicht straalt. Prya wacht nog even voor de zekerheid, wendt zich dan af en controleert de gesloten glazen deur naar het balkon. Geen beschadigingen, gelukkig heeft de oude vrouw niet veel kracht in haar handen.
Het wordt even wat lichter en ze kijkt omhoog. Tussen de hoge gebouwen aan de overkant is een stukje hemel zichtbaar, nog grijs, maar het klaart al op.

Eerste plaats in schrijfwedstrijd Secret City

De winnaars van de landelijke schrijfwedstrijd Secret City zijn op Blue Monday, maandag 16 januari, bekendgemaakt in Bibliotheek Zoetermeer. De eerste prijs werd uitgereikt aan… moi.
Mijn winnende verhaal, ‘tijd om thuis te komen‘, is gebaseerd op de kunstfoto van het Buytenpark in Zoetermeer, onderdeel van de fototentoonstelling Secret City in Stadsmuseum Zoetermeer.

Een grote verrassing en nog grotere eer. Sponsor, organisatoren, juryleden en natuurlijk medeschrijvers, hartelijk dank!

Het juryrapport:

“En dan de 1e prijs. De jury heeft niet hoeven discussiëren. Een rond verhaal. Duidelijk geschreven bij de foto van de ruïne. Een prachtige omschrijving van de omgeving. Een mysterieus einde dat de lezer in verwarring achterlaat. Het was de eerste inzending die binnenkwam bij de wedstrijd maar het heeft de juryleden sindsdien niet meer los gelaten. Een verhaal dat gaat over loslaten. Het leven of de dood, dat mag de lezer zelf invullen. Boeiend en prachtig geschreven: Tijd om thuis te komen. Vanwege het pseudoniem wisten de juryleden niet dat het verhaal geschreven is door een bekende van Schrijversschool Zoetermeer. De eerste prijs gaat naar Cat Hil.”

Verhaal: Tijd om thuis te komen

 

Ze staat voor het venstergat in de vervallen muur en sluit haar ogen. Ze denkt aan een ander uitzicht, een ander landschap, met heuvels vol heide, stenen wallen en grazende schapen. Dat uitzicht bestaat nog steeds. Maar het is al zo lang geleden dat ze in haar geboorteplaats was om het te zien. De kleuren kan ze zich nog goed herinneren, het dromerige paars van de heide en de grijsheid van de eeuwige regenwolken. Ze haalt diep adem en kijkt. Gras, braamstruiken, betonblokken met afgesleten hoeken, verspreid tussen de brandnetels. Een hemel die al bloedrood kleurt in het avondlicht. Geen schapen, wel koeien en enkele paarden op een ver weiland. Een kille geur van modder en nat steen vult haar neus, een geur die eeuwen ouder lijkt dan dit natuurpark uit de jaren ’70.

Ze verliest bijna haar evenwicht als haar vingers van de muur glijden. De ruwe bakstenen zijn dikbemost en glibberig. Ze doet een stap naar achteren om haar balans te vinden. Haar regenjas blijft haken aan de doornen van een braamstruik.  Ze trekt de stof voorzichtig los en zoekt haar weg tussen de brandnetels, langs de kleine ruïne en de heuvel op, terug naar het wandelpad. Midden op het pad liggen de resten van een mol. Er is niet veel meer van over dan een grijsverkleurd velletje, in flarden om en over fragiele botjes en een miniem gebit. De klauwen van de mol liggen strak naast elkaar, alsof het dier speciaal in de houding is gaan liggen om te sterven. Ze stapt over het lichaampje heen.

Op het hoogste punt van het pad aarzelt ze. In de verte ziet ze de heldere lichten van Zoetermeer, de plaats waar ze achtenveertig jaar geleden vanuit Engeland is komen wonen. Eerst met haar moeder en nu al heel lang alleen. De hoge woontoren bij winkelcentrum Stadshart en de automobilisten die zich over de Amerikaweg haasten om naar huis te gaan zien er beangstigend uit, te fel, te druk. Ze moet naar huis, maar toch staat ze stil. De donkere leegte van het park achter haar lijkt te fluisteren, te vragen of ze echt weg moet, of ze niet nog even wil blijven.

Abrupt draait ze zich om. In de toenemende duisternis ziet ze niet veel. Behalve daar beneden, halverwege de heuvel, waar de ruïne als een gebroken bot door de huid van de aarde steekt. Een lage muur met enkele venstergaten, veel meer is het niet. Toch doet ook dit beeld haar denken aan het Yorkshire van haar jeugd, aan oude schapenkotten die de moeite van het opbouwen niet meer waard waren en langzaam uit elkaar vielen.  Door het venstergat waar ze zojuist stond zijn nog juist de laatste rode vegen van de zonsondergang zichtbaar. Het licht lijkt te worden geblokkeerd door een gestalte. Een hoekig, mannelijk silhouet met een hoofddeksel. Ze houdt haar adem in. Haar hele leven heeft ze maar één persoon gekend met zo’n vormloze jas, zo’n potsierlijk grote pet met oorkleppen. ‘Papa?’

De gestalte beweegt. Ze knijpt haar ogen half dicht maar het heeft geen nut, ze kan het niet goed zien, het is te donker en de muur staat ervoor. Ze kijkt nog even om naar de bewegende lichtjes van de stad. Ze lijken verder weg dan ooit. Haar voeten bewegen al vóór ze het bewuste besluit heeft genomen om terug te gaan naar de ruïne.
Moeizaam loopt ze door het gras naar beneden. Haar voeten blijven hangen achter de verstrengelde sprieten en de modderige grond is verraderlijk glad. Eindelijk staat ze naast de lage muur. In de verte raast het stadsverkeer, verder is het stil. Ze slikt, doet nog een stap, kijkt achter de muur.

Er is niets. Ze stoot een diepe zucht uit, de adem raspt pijnlijk in haar keel. Met gesloten ogen zakt ze langs de muur naar beneden. Haar zitvlak raakt vrijwel direct doorweekt door het contact met de koude grond.  Als ze een hand langs haar gezicht haalt, voelt ze dat haar wangen ook nat zijn. Een bijgelovige trien die teveel Yorkshire spookverhalen heeft gehoord, dat is ze. Haar verstand het zwijgen opgelegd door de wilde hoop haar vader te zien. Papa, die al bijna vijftig jaar dood is, verdronken in een ijskoude bergstroom, en begraven op het kleine kerkhof naast hun huis in Haworth. Ze schudt haar hoofd en zet haar hand op de grond om op te staan.

‘Emily.’ De stem van papa naast haar. Ze verstijft.
‘Emily, je bent het toch?’ Ze slaat haar ogen op. Naast haar, op de grond, laarzen. Grote, modderige  werklaarzen van stijf leer. Benen in een grijsverwassen tweed broek. Ze kijkt omhoog. Een vormloze jas, een grote pet met oorkleppen. Daaronder het gezicht van haar vader. Het is te donker om de kleur van zijn snor te onderscheiden, maar ze weet dat die donkerblond en rafelig is. Zijn ogen stralen. In het donker zijn ze als een lichtbaken.
Hij glimlacht en steekt zijn hand uit, raakt haar bijna aan, maar houdt op het laatste moment in. ‘Waar was je toch al die tijd? Ik heb gezocht, en gezocht. Je weet toch dat je niet zo laat op de moors mag spelen, dat is gevaarlijk.’  Nu raakt hij haar toch aan. Zijn grote hand rust op haar hoofd, zwaar en geruststellend. ‘Het is tijd om thuis te komen, mama is ongerust.’

Iedere twijfel aan zijn aanwezigheid, zijn overtuigend solide nabijheid, spoelt weg in een golf van emotie. Ze barst in tranen uit. ‘Papa, ik heb je zo gemist. Het spijt me zo, papa, zo erg.’ Met beide handen voelt ze aan zijn benen. Het korrelige leer van de oude werklaarzen en zijn prikkende tweed broekspijpen voelen vochtig maar toch warm aan. Ze kan hem niet aankijken, nog niet.

Haar vader lacht, een zacht rommelend geluid. ‘Zo erg is het toch niet. Kom meisje, het is in orde, papa is niet boos. Als je volgende keer maar vroeger thuiskomt.’
Ze kijkt met een ruk op. ‘Weet je dan niet wat er gebeurd is? Je weet niets?’
Hij is even stil. Zijn snor trilt, alsof hij een glimlach onderdrukt. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Zeg het maar.’
Ze reikt omhoog en pakt zijn hand, wrijft met haar vingers over de eeltige plekken op zijn handpalmen. Zonder woorden begrijpt hij wat ze wil en hurkt naast haar op de grond. Zijn ruwe huid met de rode adertjes op zijn wangen, het netwerk van fijne rimpels naast zijn ogen, zijn lichtblonde wenkbrauwen waar mama altijd grapjes over maakte. Al die kleine details die ze vergeten was maar die zelfs hier in het donker zo onmiskenbaar bij haar vader horen. Haar tranen drogen op haar wangen.

‘Heb je me nog wat te vertellen? Anders gaan we naar huis, ik heb nog stalwerk te doen.’ Een praktische man, haar vader, zelfs nu. ‘Nee papa, je hoeft geen stalwerk te doen.’ Ze aarzelt. ‘Weet je nog dat ik op de moors was gaan spelen? Het was al donker geworden en je ging me zoeken.’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog. Voor hij wat kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ik had een nest fazantenkuikens gevonden.’ Ze ziet de kuikens weer voor zich, hoe schattig ze waren in hun bruingestreepte donsvachtje.  ‘Toen ik zag hoe laat het was ging ik naar huis. Mama was thuis, maar jij niet.’ Ze ziet hem fronsen. Hij doet zijn mond open, maar ze steekt haar hand op en gaat door. ‘Je kwam niet thuis. De volgende dag, toen het licht was, hebben ze je lichaam gevonden in de rivier. Ze zeiden dat je in de Don moet zijn gevallen toen het te donker was om te zien waar je liep. Ze zeiden dat het water te koud was en dat je geen schijn van kans had. Dat is wat ze zeiden. Achtenveertig jaar geleden.’ Ze kijkt hem strak aan. ‘Begrijp je het? Je bent dood.’

Hij zwijgt. Ze weet niet wat ze nog meer kan zeggen. Dat het haar schuld was? Ze opent haar mond, maar de woorden willen niet komen. Haar vader beweegt. Hij steekt zijn hand uit, beweegt zijn vingers en kijkt er aandachtig naar. ‘Ik voel me niet dood.’ Hij kijkt haar schuin aan. De rimpels om zijn ogen zijn dieper geworden en zijn snor trilt niet meer, maar is gekruld in een geamuseerde glimlach. Met een gevoel van ongeloof beseft ze dat ze geïrriteerd raakt, haar dode vader neemt haar niet serieus.

Als zijn blik zich vestigt op haar schouders en zijn glimlach verdwijnt, merkt ze dat ze heftig zit te rillen. Ze haar schouders op. ‘Het is koud, ik heb mijn jas in de auto laten liggen.’
Hij geeft geen antwoord, maar haalt een aansteker uit zijn jaszak, dezelfde dofmetalen aansteker die ze zich van vroeger herinnert. ‘Kom hier met je handen.’ Ze houdt haar handen in een kommetje om de vlam. De warmte voelt troostend aan. Hij drukt de aansteker in haar hand, schudt zijn jas uit en legt die om haar schouders. De jas is nog even groot als toen ze een kind was; de schouders hangen bijna tot op haar ellebogen. Dan neemt hij de aansteker weer van haar over en houdt hem stil, zodat ze haar handen verder kan opwarmen. Langzaam ontspant ze. Het zachte licht speelt over het gezicht van haar vader, zijn wollen trui en het regelmatige reliëf van zijn tweed broek. Zijn adem vormt wolkjes in de koude lucht.

Ze weet niet hoe lang het duurt voor een van hen weer spreekt. Haar vader schraapt zijn keel. ‘Het is mooi geweest. Kom liefje, we gaan naar huis. Ik weet zeker dat mama het eten allang klaar heeft.’ Ze perst haar lippen op elkaar. Ze moet het hem duidelijk maken. Er is geen mama, geen eten, geen thuis.
‘Zie je dan niet dat ik geen kind meer ben? Kijk naar me!’ Ze gebaart naar haar lichaam, maar haar stevige benen in de bruinkatoenen broek en de sportieve wandelschoenen zijn er niet meer. In plaats daarvan ziet ze dunne kinderbeentjes in een maillot, een wollen rok en hoge rubberen laarzen. Geel. Het geel van de laarzen die ze voor haar negende verjaardag kreeg.

Haar vader staat op en steekt zijn hand uit. ‘Ga je mee?’ Ze kijkt omhoog. Het is volledig donker. Aan de zwarte lucht twinkelen wat sterren. Geen blinkende woontoren in de verte. Geen verkeersgeluiden. Wel, ver weg, het  ruisen van een bergstroom. Ze hoort de roep van een opfladderende fazant. De veren op zijn vleugels weerkaatsen het maanlicht.
Als ze de hand van haar vader pakt en opspringt, begint ze hardop te lachen. Hij glimlacht terug, draait zich om en begint te lopen. Ze volgt. Het koude lichaam dat achterblijft bij de muur keurt ze geen blik waardig. Met gespreide armen rent ze haar vader voorbij, de met heide begroeide heuvels op.  Ze kent de weg naar huis. Het is tijd, hoog tijd om thuis te komen.

—————————————–

Dit verhaal heeft de eerste prijs gewonnen in de landelijke schrijfwedstrijd Secret City.

Verhaal: Boerderijkatjes

Het is donker in de grote schuur. Voorzichtig doet Tommy een stap naar voren. Onder zijn sandalen ritselt stro. Kakelgeluiden van geschrokken kippen en nog meer geritsel in de hoeken. Hij stoot zijn knie tegen een hek dat piepend openschiet en met een klap weer dichtvalt. De kippen kakelen opnieuw, een stuk verder weg nu. Tommy duwt het hek open en sluit het voorzichtig achter zich. Zijn hand blijft haken, plotselinge pijn. Uit een schram welt bloed op. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en zuigt op de wond.
Het is stil. Hij kijkt rond, maar kan niet veel onderscheiden. Diffuus sijpelt het avondlicht door de vuile ramen. Plastic kratten en stapels zaaghout vormen vage silhouetten. Het ruikt naar oude mest en vochtig hout.

Dan hoort hij het. Schrille kreetjes, onbeholpen maar toch melodieus. Het geluid komt van onder de hoge stapel latten in de verste hoek van de schuur. Zo zacht als hij kan sluipt hij naar het hout. De zachte kreetjes worden duidelijker, dringender. Als Tommy bij de latten staat moet hij zijn hoofd in zijn nek leggen om te zien hoe hoog de stapel is. Hij is hoog, hoger nog dan zijn vader en die is volgens zijn moeder zo lang als een boom.
De geluidjes stoppen even als zijn voetzolen hoorbaar over de betonnen vloer schuiven, maar gaan al snel weer verder. Ze komen onder de houtstapel vandaan, of misschien er achter. Hoe langer hij luistert, hoe zekerder hij ervan is dat de kleintjes achter het hout zitten. Hij loopt langs de stapel heen en weer. Aan twee kanten ligt het hout tegen de wanden van de schuur. Er is geen weg omheen. Hij gaat op zijn hurken zitten. ‘Poes, poes, poes! Kom maar!’ De kreetjes stoppen weer even, en gaan dan verder. In Tommy’s oren klinken ze vragend, wanhopig. ‘Voed ons, red ons, neem ons mee’.
Hij kijkt weer langs de stapel omhoog. De lukraak opgestapelde latten vormen een hoekig oppervlak. Ze doen hem denken aan een trap, hoog en steil, maar toch een trap. Hij steekt zijn hand uit en trekt aan een van de latten. Die ligt muurvast.

Hij schudt zijn jack van zich af, zoekt houvast met beide handen en begint te klimmen. Het hout is ruw onder zijn handen. Hij voelt kleine splinters door zijn huid gaan, zijn handpalmen prikken en branden. Niet op letten nu. De rubberen zolen van zijn sandalen vinden gemakkelijk houvast. Hij klimt hoger en hoger. Dit is gemakkelijk, denkt hij. Nog even, poesjes, dan ben ik bij jullie.
Dan verschuift iets onder hem. Zijn voet zakt opzij, glipt van de lat en schiet uit tegen de lat daaronder. Die kraakt, beweegt, begint te vallen. Hij ziet zijn handen steeds verder uit elkaar gaan als de berg hout steeds sneller alle samenhang verliest. Met een donderend geraas stort de stapel in en begraaft Tommy onder meters splinterend zaaghout.

Hij droomt. In zijn droom ligt hij lui op de bank, een Action Man in de ene hand en een plastic motorfiets in de andere. De gangdeur zwaait open en zijn moeder komt binnen, torsend met een onmogelijk grote kartonnen doos. Uit de doos komen benauwde geluidjes. Miauwen, schril en piepend. Hij ziet dat de doos hermetisch is gesloten met dikke lagen bruine tape. ‘Mama, de katjes stikken!’, roept hij uit. Hij wil opstaan, maar zijn moeder glimlacht. ‘Welnee, schat’, zegt ze. ‘Dat vinden ze juist fijn.’ Ze tilt de doos omhoog en zet hem met een zwaai op zijn buik. Hij probeert hem weg te duwen. Er komt geen beweging in. De druk op zijn buik neemt toe, begint pijnlijk te worden, hij krijgt geen adem, raspend gaat de lucht naar binnen en naar buiten. ‘Haal hem eraf, haal hem eraf!’

Zijn ogen vliegen open. Er is geen doos, geen moeder. Hij ligt plat op zijn rug in het donker. De druk op zijn buik is er nog steeds. Hij wil opstaan, maar zijn armen en benen zitten vast. Hij trappelt met zijn voeten, probeert zijn armen los te trekken. Zijn schouders en heupen bewegen, verder niets. Boven hem klinkt een schurend geluid en de druk op zijn buik neemt nog verder toe. Stof en zaagsel dwarrelen in zijn gezicht. Kuchend draait hij zijn hoofd weg, een paar centimeter maar, tot hij een splinterige houtrand in zijn wang voelt prikken. In paniek begint hij te worstelen om los te komen. Het enige resultaat is dat de stekende pijn in zijn buik toeneemt tot ondraaglijke hoogte. Tevergeefs probeert hij zijn knieën op te trekken. Als de pijn wat zakt voelt hij dat zijn wangen nat zijn. En niet alleen zijn wangen. Het is koud in de schuur en zijn kleren voelen doorweekt aan. Hij begint te rillen.

Een onbestemde tijd later neemt het zwart om hem heen af. Grauw licht schijnt door de spleten tussen de latten waaronder hij ligt begraven. Het zijn er niet veel, smal en ver uit elkaar. Niemand zal hem er doorheen kunnen zien.
Tommy’s keel doet pijn. Hij heeft uren liggen schreeuwen om hulp, maar hij wist dat er niemand zou zijn om het te horen. De schuur ligt midden in een weiland. Honderden meters van het woonhuis van de boer en nog veel verder van zijn eigen huis aan de rand van de stad.
Hij heeft dorst. Zijn moeder is nu misschien zoete koffie en brood met kaas en tomaat aan het maken, haar lievelingsontbijt. Dan dringt het tot hem door dat zijn moeder vast geen ontbijtje staat te smeren als haar kind zoek is. Misschien ligt ze wel op de bank te huilen. Misschien zijn zijn vader en moeder wel de hele nacht opgebleven om hem te zoeken. Een snik ontsnapt hem maar zijn ogen blijven droog. Hij heeft geen water meer voor tranen. Hij hoopt dat ze hem niet heel snel vergeten en dat ze zijn Action Man verzameling niet weggeven aan zijn kleine neefje. Bij de gedachte zwelt zijn keel op. Hij slikt moeizaam.

De pijn in zijn buik is weg. Hij voelt helemaal niets meer, geen pijn, geen kou, geen honger. Alleen dorst. Hij zakt weg in een halfslaap, schrikt wakker, zakt weer weg. Het is moeilijk om wakker te blijven en nog moeilijker om na te denken.
Hij vangt een geluid op. Gekrabbel, het scherpe geluid van nagels op hout. Een mager silhouet verschijnt aan de rand van zijn gezichtsveld. Twee ronde ogen weerkaatsen felgroen het licht, dan draait de kat haar kop en de spookachtige reflectie verdwijnt.
Tommy houdt zijn adem in. ‘Poes?’ Zijn stem is schor, bijna onhoorbaar, maar de lapjeskat duikt in elkaar in een schrikreflex. Na een paar seconden ontspant ze. Met sierlijke doelmatigheid weeft ze zich door de wirwar van houten latten. Hij ziet haar kleine roze neus bewegen als ze zich strekt om naast zijn heup aan de grond te ruiken. Als ze zich weer opricht zit er een donkere vlek op haar neus.
Ze gaat zitten, opent haar bekje en miauwt. Piepende kreetjes klinken ten antwoord. Een voor een verschijnen haar kittens. Heel wat minder sierlijk, met onhandige sprongetjes en schuifelpasjes wurmen ze zich door het hout. Het zijn er vijf of zes, allemaal mooi, met lapjes, strepen en grote witte vlekken. Er zit zelfs een kleintje bij dat helemaal zwart is, Tommy kan hem alleen zien door de weerschijn van zijn oogjes.
Hij vergeet waar hij is en begint in zijn hoofd de katjes te verdelen. Die rode voor Mark – het mocht van zijn moeder, de lapjes en het streepje voor oma, de buurvrouw wou er ook wel eentje, en die zwarte zou hij zelf houden. Hij neemt hem gewoon mee naar huis en dan vindt zijn moeder het vast wel goed. Dan realiseert hij zich dat hij misschien niet thuiskomt. De boer zal de kleintjes vinden en ze verdrinken, precies zoals hij had gedreigd, en zijn ouders zullen hém ook niet vinden. Nu verschijnen er toch nog tranen, ze lopen langs zijn wangen omlaag.

De kittens nemen hem vol interesse op en kijken dan naar hun moeder. Die wendt haar kop naar Tommy en knijpt haar ogen even dicht. Lief, denkt hij. Ze ziet dat ik huil, ze wil me troosten. Dankbaar knippert hij terug naar de moederpoes. Dan komt ze overeind, bereikt zijn lichaam met een paar ontspannen stappen en buigt haar kop. De kittens scharrelen haastig achter haar aan. Tommy kan ze daar niet goed zien, maar voelt hun pootjes op zijn benen en heupen, voelt hoe ze hun nageltjes in zijn huid zetten om tegen zijn borst op te klimmen. Dan, in één felle explosie, is de pijn terug. Als hij schreeuwt en schreeuwt, schrikken de katten op. Al snel beseffen ze dat het kabaal geen dreiging voor ze is. Ze hurken en gaan rustig verder met hun maaltijd van half opgedroogd bloed op de rafelige wanden van zijn buikwond.

Tommy is zich niet bewust van de boer, die uren later de schuur binnenkomt, mopperend de ingestorte houtstapel opneemt en dan met een schok een kindersandaal tussen de latten ontdekt. Evenmin merkt hij het  koortsachtige wegruimen van het hout op, het ambulancepersoneel dat hem op een brancard tilt of de eerste uren in het ziekenhuis, waar de artsen hun uiterste best doen zijn leven te redden.

Vele weken later ligt hij thuis op de bank. Hij kan niet goed bewegen. Een van zijn benen is stijf en zijn rechterarm is geslonken en verzwakt door het dragen van gips. Om zijn buik heeft hij nog steeds een stevig verband. Hij strekt zijn arm en laat Action Man heldhaftig tegen de rugleuning opklimmen.
Dan hoort hij de sleutel in het slot draaien. Zijn moeders stem in de gang: ‘Hallo! Ik ben thuis!’  De gangdeur klapt open en zijn moeder komt binnen. In haar handen draagt ze een doos, niet van karton maar van blauw plastic, met een handvat aan de bovenkant en een hekje aan de zijkant. Achter de tralies reflecteren twee ogen felgroen het licht.
Zijn moeder glimlacht verwachtingsvol. ‘Kijk eens, schat.’ Ze zet de doos naast hem op de bank en peutert het hekje open. Een lapjespoes steekt haar kop uit de doos en kijkt hem strak aan.
‘Voor jou! zegt zijn moeder. ‘Papa en ik wisten hoe graag je een eigen katje wou. Daarom ben je toen toch naar die schuur gegaan, je had het er steeds over. Kijk eens, is ze niet lief? Tommy? Hee, Tommy, wat is er? Schreeuw niet zo! Tommy!’