Tagarchief: Secret City

Prijswinnend verhaal in tweetalige catalogus

Vandaag bereikte me het leuke bericht dat mijn prijswinnend verhaal Tijd om thuis te komen, geschreven voor de Secret City expositie in Zoetermeer, tweetalig (NL-EN) wordt opgenomen in de catalogus. Stadsmuseum Zoetermeer, waar de fototentoonstelling heeft plaatsgevonden, zal de catalogus uitbrengen. De exposanten, fotograaf Andrew Brooks en zijn partner Andy Brydon, hebben in Engeland en Nederland verborgen of vergeten plekken in allerlei steden vastgelegd op de gevoelige plaat. Het resultaat is boeiend en mysterieus: Zoetermeer heeft er nog nooit zo bijzonder uitgezien.

Advertenties

Eerste plaats in schrijfwedstrijd Secret City

De winnaars van de landelijke schrijfwedstrijd Secret City zijn op Blue Monday, maandag 16 januari, bekendgemaakt in Bibliotheek Zoetermeer. De eerste prijs werd uitgereikt aan… moi.
Mijn winnende verhaal, ‘tijd om thuis te komen‘, is gebaseerd op de kunstfoto van het Buytenpark in Zoetermeer, onderdeel van de fototentoonstelling Secret City in Stadsmuseum Zoetermeer.

Een grote verrassing en nog grotere eer. Sponsor, organisatoren, juryleden en natuurlijk medeschrijvers, hartelijk dank!

Het juryrapport:

“En dan de 1e prijs. De jury heeft niet hoeven discussiëren. Een rond verhaal. Duidelijk geschreven bij de foto van de ruïne. Een prachtige omschrijving van de omgeving. Een mysterieus einde dat de lezer in verwarring achterlaat. Het was de eerste inzending die binnenkwam bij de wedstrijd maar het heeft de juryleden sindsdien niet meer los gelaten. Een verhaal dat gaat over loslaten. Het leven of de dood, dat mag de lezer zelf invullen. Boeiend en prachtig geschreven: Tijd om thuis te komen. Vanwege het pseudoniem wisten de juryleden niet dat het verhaal geschreven is door een bekende van Schrijversschool Zoetermeer. De eerste prijs gaat naar Cat Hil.”

Verhaal: Tijd om thuis te komen

 

Ze staat voor het venstergat in de vervallen muur en sluit haar ogen. Ze denkt aan een ander uitzicht, een ander landschap, met heuvels vol heide, stenen wallen en grazende schapen. Dat uitzicht bestaat nog steeds. Maar het is al zo lang geleden dat ze in haar geboorteplaats was om het te zien. De kleuren kan ze zich nog goed herinneren, het dromerige paars van de heide en de grijsheid van de eeuwige regenwolken. Ze haalt diep adem en kijkt. Gras, braamstruiken, betonblokken met afgesleten hoeken, verspreid tussen de brandnetels. Een hemel die al bloedrood kleurt in het avondlicht. Geen schapen, wel koeien en enkele paarden op een ver weiland. Een kille geur van modder en nat steen vult haar neus, een geur die eeuwen ouder lijkt dan dit natuurpark uit de jaren ’70.

Ze verliest bijna haar evenwicht als haar vingers van de muur glijden. De ruwe bakstenen zijn dikbemost en glibberig. Ze doet een stap naar achteren om haar balans te vinden. Haar regenjas blijft haken aan de doornen van een braamstruik.  Ze trekt de stof voorzichtig los en zoekt haar weg tussen de brandnetels, langs de kleine ruïne en de heuvel op, terug naar het wandelpad. Midden op het pad liggen de resten van een mol. Er is niet veel meer van over dan een grijsverkleurd velletje, in flarden om en over fragiele botjes en een miniem gebit. De klauwen van de mol liggen strak naast elkaar, alsof het dier speciaal in de houding is gaan liggen om te sterven. Ze stapt over het lichaampje heen.

Op het hoogste punt van het pad aarzelt ze. In de verte ziet ze de heldere lichten van Zoetermeer, de plaats waar ze achtenveertig jaar geleden vanuit Engeland is komen wonen. Eerst met haar moeder en nu al heel lang alleen. De hoge woontoren bij winkelcentrum Stadshart en de automobilisten die zich over de Amerikaweg haasten om naar huis te gaan zien er beangstigend uit, te fel, te druk. Ze moet naar huis, maar toch staat ze stil. De donkere leegte van het park achter haar lijkt te fluisteren, te vragen of ze echt weg moet, of ze niet nog even wil blijven.

Abrupt draait ze zich om. In de toenemende duisternis ziet ze niet veel. Behalve daar beneden, halverwege de heuvel, waar de ruïne als een gebroken bot door de huid van de aarde steekt. Een lage muur met enkele venstergaten, veel meer is het niet. Toch doet ook dit beeld haar denken aan het Yorkshire van haar jeugd, aan oude schapenkotten die de moeite van het opbouwen niet meer waard waren en langzaam uit elkaar vielen.  Door het venstergat waar ze zojuist stond zijn nog juist de laatste rode vegen van de zonsondergang zichtbaar. Het licht lijkt te worden geblokkeerd door een gestalte. Een hoekig, mannelijk silhouet met een hoofddeksel. Ze houdt haar adem in. Haar hele leven heeft ze maar één persoon gekend met zo’n vormloze jas, zo’n potsierlijk grote pet met oorkleppen. ‘Papa?’

De gestalte beweegt. Ze knijpt haar ogen half dicht maar het heeft geen nut, ze kan het niet goed zien, het is te donker en de muur staat ervoor. Ze kijkt nog even om naar de bewegende lichtjes van de stad. Ze lijken verder weg dan ooit. Haar voeten bewegen al vóór ze het bewuste besluit heeft genomen om terug te gaan naar de ruïne.
Moeizaam loopt ze door het gras naar beneden. Haar voeten blijven hangen achter de verstrengelde sprieten en de modderige grond is verraderlijk glad. Eindelijk staat ze naast de lage muur. In de verte raast het stadsverkeer, verder is het stil. Ze slikt, doet nog een stap, kijkt achter de muur.

Er is niets. Ze stoot een diepe zucht uit, de adem raspt pijnlijk in haar keel. Met gesloten ogen zakt ze langs de muur naar beneden. Haar zitvlak raakt vrijwel direct doorweekt door het contact met de koude grond.  Als ze een hand langs haar gezicht haalt, voelt ze dat haar wangen ook nat zijn. Een bijgelovige trien die teveel Yorkshire spookverhalen heeft gehoord, dat is ze. Haar verstand het zwijgen opgelegd door de wilde hoop haar vader te zien. Papa, die al bijna vijftig jaar dood is, verdronken in een ijskoude bergstroom, en begraven op het kleine kerkhof naast hun huis in Haworth. Ze schudt haar hoofd en zet haar hand op de grond om op te staan.

‘Emily.’ De stem van papa naast haar. Ze verstijft.
‘Emily, je bent het toch?’ Ze slaat haar ogen op. Naast haar, op de grond, laarzen. Grote, modderige  werklaarzen van stijf leer. Benen in een grijsverwassen tweed broek. Ze kijkt omhoog. Een vormloze jas, een grote pet met oorkleppen. Daaronder het gezicht van haar vader. Het is te donker om de kleur van zijn snor te onderscheiden, maar ze weet dat die donkerblond en rafelig is. Zijn ogen stralen. In het donker zijn ze als een lichtbaken.
Hij glimlacht en steekt zijn hand uit, raakt haar bijna aan, maar houdt op het laatste moment in. ‘Waar was je toch al die tijd? Ik heb gezocht, en gezocht. Je weet toch dat je niet zo laat op de moors mag spelen, dat is gevaarlijk.’  Nu raakt hij haar toch aan. Zijn grote hand rust op haar hoofd, zwaar en geruststellend. ‘Het is tijd om thuis te komen, mama is ongerust.’

Iedere twijfel aan zijn aanwezigheid, zijn overtuigend solide nabijheid, spoelt weg in een golf van emotie. Ze barst in tranen uit. ‘Papa, ik heb je zo gemist. Het spijt me zo, papa, zo erg.’ Met beide handen voelt ze aan zijn benen. Het korrelige leer van de oude werklaarzen en zijn prikkende tweed broekspijpen voelen vochtig maar toch warm aan. Ze kan hem niet aankijken, nog niet.

Haar vader lacht, een zacht rommelend geluid. ‘Zo erg is het toch niet. Kom meisje, het is in orde, papa is niet boos. Als je volgende keer maar vroeger thuiskomt.’
Ze kijkt met een ruk op. ‘Weet je dan niet wat er gebeurd is? Je weet niets?’
Hij is even stil. Zijn snor trilt, alsof hij een glimlach onderdrukt. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Zeg het maar.’
Ze reikt omhoog en pakt zijn hand, wrijft met haar vingers over de eeltige plekken op zijn handpalmen. Zonder woorden begrijpt hij wat ze wil en hurkt naast haar op de grond. Zijn ruwe huid met de rode adertjes op zijn wangen, het netwerk van fijne rimpels naast zijn ogen, zijn lichtblonde wenkbrauwen waar mama altijd grapjes over maakte. Al die kleine details die ze vergeten was maar die zelfs hier in het donker zo onmiskenbaar bij haar vader horen. Haar tranen drogen op haar wangen.

‘Heb je me nog wat te vertellen? Anders gaan we naar huis, ik heb nog stalwerk te doen.’ Een praktische man, haar vader, zelfs nu. ‘Nee papa, je hoeft geen stalwerk te doen.’ Ze aarzelt. ‘Weet je nog dat ik op de moors was gaan spelen? Het was al donker geworden en je ging me zoeken.’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog. Voor hij wat kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ik had een nest fazantenkuikens gevonden.’ Ze ziet de kuikens weer voor zich, hoe schattig ze waren in hun bruingestreepte donsvachtje.  ‘Toen ik zag hoe laat het was ging ik naar huis. Mama was thuis, maar jij niet.’ Ze ziet hem fronsen. Hij doet zijn mond open, maar ze steekt haar hand op en gaat door. ‘Je kwam niet thuis. De volgende dag, toen het licht was, hebben ze je lichaam gevonden in de rivier. Ze zeiden dat je in de Don moet zijn gevallen toen het te donker was om te zien waar je liep. Ze zeiden dat het water te koud was en dat je geen schijn van kans had. Dat is wat ze zeiden. Achtenveertig jaar geleden.’ Ze kijkt hem strak aan. ‘Begrijp je het? Je bent dood.’

Hij zwijgt. Ze weet niet wat ze nog meer kan zeggen. Dat het haar schuld was? Ze opent haar mond, maar de woorden willen niet komen. Haar vader beweegt. Hij steekt zijn hand uit, beweegt zijn vingers en kijkt er aandachtig naar. ‘Ik voel me niet dood.’ Hij kijkt haar schuin aan. De rimpels om zijn ogen zijn dieper geworden en zijn snor trilt niet meer, maar is gekruld in een geamuseerde glimlach. Met een gevoel van ongeloof beseft ze dat ze geïrriteerd raakt, haar dode vader neemt haar niet serieus.

Als zijn blik zich vestigt op haar schouders en zijn glimlach verdwijnt, merkt ze dat ze heftig zit te rillen. Ze haar schouders op. ‘Het is koud, ik heb mijn jas in de auto laten liggen.’
Hij geeft geen antwoord, maar haalt een aansteker uit zijn jaszak, dezelfde dofmetalen aansteker die ze zich van vroeger herinnert. ‘Kom hier met je handen.’ Ze houdt haar handen in een kommetje om de vlam. De warmte voelt troostend aan. Hij drukt de aansteker in haar hand, schudt zijn jas uit en legt die om haar schouders. De jas is nog even groot als toen ze een kind was; de schouders hangen bijna tot op haar ellebogen. Dan neemt hij de aansteker weer van haar over en houdt hem stil, zodat ze haar handen verder kan opwarmen. Langzaam ontspant ze. Het zachte licht speelt over het gezicht van haar vader, zijn wollen trui en het regelmatige reliëf van zijn tweed broek. Zijn adem vormt wolkjes in de koude lucht.

Ze weet niet hoe lang het duurt voor een van hen weer spreekt. Haar vader schraapt zijn keel. ‘Het is mooi geweest. Kom liefje, we gaan naar huis. Ik weet zeker dat mama het eten allang klaar heeft.’ Ze perst haar lippen op elkaar. Ze moet het hem duidelijk maken. Er is geen mama, geen eten, geen thuis.
‘Zie je dan niet dat ik geen kind meer ben? Kijk naar me!’ Ze gebaart naar haar lichaam, maar haar stevige benen in de bruinkatoenen broek en de sportieve wandelschoenen zijn er niet meer. In plaats daarvan ziet ze dunne kinderbeentjes in een maillot, een wollen rok en hoge rubberen laarzen. Geel. Het geel van de laarzen die ze voor haar negende verjaardag kreeg.

Haar vader staat op en steekt zijn hand uit. ‘Ga je mee?’ Ze kijkt omhoog. Het is volledig donker. Aan de zwarte lucht twinkelen wat sterren. Geen blinkende woontoren in de verte. Geen verkeersgeluiden. Wel, ver weg, het  ruisen van een bergstroom. Ze hoort de roep van een opfladderende fazant. De veren op zijn vleugels weerkaatsen het maanlicht.
Als ze de hand van haar vader pakt en opspringt, begint ze hardop te lachen. Hij glimlacht terug, draait zich om en begint te lopen. Ze volgt. Het koude lichaam dat achterblijft bij de muur keurt ze geen blik waardig. Met gespreide armen rent ze haar vader voorbij, de met heide begroeide heuvels op.  Ze kent de weg naar huis. Het is tijd, hoog tijd om thuis te komen.

—————————————–

Dit verhaal heeft de eerste prijs gewonnen in de landelijke schrijfwedstrijd Secret City.