Tagarchief: schrijfwedstrijd

Jureren voor (jeugd)schrijfwedstrijd Thrillerfestival Zoetermeer 2014!

De laatste tijd ontbreekt me  helaas de tijd om zelf te schrijven. Gelukkig gebeuren er andere leuke dingen op schrijfgebied. In Zoetermeer is een grote schrijfwedstrijd voor basisscholieren uit groep 8, en ik ben een van de gelukkigen die de 110 inzendingen mag beoordelen. Het is een schrijfwedstrijd voor spannende verhalen, in het kader van het Thrillerfestival 2014.

Het is ontzettend leuk om jurylid te zijn voor verhalen van deze leeftijdsgroep. De fantasie en oorspronkelijkheid spat van de pagina’s. Natuurlijk komen er ook veel vampiers, zombies en hier en daar een weerwolf voorbij, maar de jonge schrijvers weten daar dan toch hun eigen draai aan te geven.

Samen met de andere twee juryleden, Emmy Rijsdijk en Yvonne Putman van het Erasmus College, heb ik drie prijswinnaars geselecteerd. In totaal komen er zes verhalen in de bundel die zal worden uitgereikt aan alle bezoekers van het Thrillerfestival. De prijsuitreiking wordt gedaan door Laurens de Groot.

thrillerfestival-logo

Advertenties

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Fragment van verhaal Thuiszorg

Met het verhaal Thuiszorg heb ik de tweede prijs gewonnen in thrillerwedstrijd Duistere Signalen. Binnenkort verschijnt de megadikke, gelijkluidende verhalenbundel met dit verhaal, en alle andere verhalen die door de jurering zijn gekomen. Lijkt me een heerlijk boek.

Hier een fragment, de eerste alinea’s van het verhaal. Klinkt nog niet als een thriller, hè? Klopt, de spanning volgt pas later in het verhaal.

Thuiszorg

Zijn vingers bewogen soepel langs de snaren van de harp. Elke snaar die hij beroerde vibreerde met een zuivere toon, een kristallen druppel in de mist van straatgeluiden en het zoemen van de koelkast. Een regenbui van fonkelheldere klanken doordrenkte de hoge kamer van zijn smalle woning aan de gracht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan Liebestraum van Liszt.

Een bons, een klap en dan een gierend loeien, boven de muziek uit. Door het matte glas van de kamerdeur zag hij een jonge vrouw door de gang heen en weer lopen. Ze duwde een stofzuiger voort. Zijn vingers vervolgden automatisch hun dans langs de snaren maar de betovering was verbroken. Toen de vrouw de kamerdeur openduwde met haar elleboog terwijl ze met haar andere hand de ouderwets grote stofzuiger langs de deurpost naar binnen sleurde, gaf hij het op. Hij liet zijn handen zakken. De harp trilde na met een enkele noot die verdween in het kabaal van de stofzuiger.

Blozende bloemen wint plaats in verhalenbundel

Mijn verhaal Blozende bloemen, geschreven naar aanleiding van een wedstrijd van uitgever Pamac, is als een van de winnende verhalen uit de bus gekomen. Het verhaal wordt opgenomen in de verhalenbundel met dezelfde naam als de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten.
Een aparte naam voor een schrijfwedstrijd en de resulterende verhalenbundel? Nou en of. Mijn bijdrage is dan ook net zo buitenissig geworden.

De bundel wordt in augustus door Pamac uitgegeven, in gedrukte vorm en wellicht ook als e-book. Mijn complete verhaal is daarin te lezen, maar hier vast een fragment.

Ze verliest bijna haar evenwicht als de deur van de bloemenstal met een zachte klik opengaat. In een reflex grijpt ze naar de deurposten aan weerszijden en stoot hard haar vingers. Ze slaakt een verstikte kreet als ze beseft wat ze doet en dan golft de pijn door haar heen, van haar vingers door haar polsen rechtstreeks naar de traanklieren in haar ogen. Terwijl de tranen over haar wangen rollen ademt ze beverig in en uit.

 Langzaam trekt de pijn weg en komt de wereld weer in focus. Ze staat nog steeds in de deuropening van Blozende Bloemen. De deur staat wijd open en een koude wind blaast regendruppels in haar nek. Twee, drie stappen en dan staat ze midden in de stal, ongeveer op de plek waar vroeger de samengestelde boeketten in een kluitje bij elkaar stonden. Godzijdank kan de wind hier niet komen. In de stal hangt een zware geur van vocht, schimmel en ook van snijbloemen, beseft ze.

Ineens krijgt Leny de zwart-witfoto weer in het oog. De foto is haarscherp, alsof hij gisteren pas is genomen, en het onderwerp is makkelijk te herkennen. Onbegrijpelijk dat ze het van buiten niet zag. Op de foto staat de bloemenstal. Hij moet zijn genomen op een warme en heldere dag. De twee bomen links van de stal zijn een stuk kleiner dan nu en staan vol in het blad. Ze werpen grillige schaduwen over het winkeltje. In de deuropening staat een jonge vrouw. Ze draagt een ouderwetse jurk die op de foto effen grijs lijkt. Rozerood, denkt Leny, en verbaast zich over de gedachte. Die jurk kan elke willekeurige kleur wel hebben gehad. 

Ik hoop dat jullie nieuwsgierig zijn naar de rest! 🙂

Schaatsverhaal in bundel 50 jaar Groeistad Zoetermeer

Mijn verhaal ‘Schaatsen op de Schinkel’ is opgenomen in de verhalenbundel ‘50 jaar Groeistad Zoetermeer’, dit naar aanleiding van de gelijkluidende schrijfwedstrijd. Volgens het jurycommentaar behoorde het verhaal tot de drie literair sterkste inzendingen. “Goed geschreven in heldere taal en met sprekende beelden voor de lezer”, aldus de jury. “Echt een stukje proza en favoriet bij een van de juryleden”.
Het verhaal was niet Zoetermeer-specifiek genoeg om met een prijs naar huis te gaan, maar omdat het zo prachtig was geschreven is het toch geselecteerd voor de bundel, volgens het  jurycommentaar. Prijs of geen prijs, dat was erg leuk om te horen.

Verhaal: Schaatsen op de Schinkel

Mijn schaatsen bungelen aan mijn hand. Ik loop zo snel dat ze heen en weer zwaaien. De  punten van de ijzers prikken bij iedere zwaai in mijn bovenbeen. Als de beschermers er nog omheen hadden gezeten was dat niet zo pijnlijk geweest, maar die draag ik in mijn andere hand. Ik stop niet om ze vast te maken, daar heb ik geen tijd voor. Ik ga schaatsen!

De Schinkel is stijfbevroren. De brede sloot krioelt van kinderen in felgekleurde jacks en volwassenen met wollen sjaals. We wonen hier nog niet zo lang en ik ken niemand. Ik ga zitten op de kant, trek mijn oude leren schoenen uit en probeer mijn voeten in de schaatsen te krijgen. Het lukt niet, de veters zitten nog helemaal strak. Terwijl ik veter voor veter lostrek voel ik de eerste steken van de vrieskou in mijn tenen. Snel nou, los met die dingen.
De kunstschaatsen zijn tweedehands maar bijna nieuw,  het leer is nog stug en mooi wit. Eindelijk lukt het me mijn voeten erin te wurmen. Ik rijg en strik de onhandig lange veters, denk aan de instructies van mijn moeder – ‘goed strak, Cat!’, maak ze los en strik ze opnieuw.
Dan sta ik wankelend op. Ik kijk naar de andere schaatsers,  vooral naar de voeten van de meisjes en hun moeders. Sommige meisjes dragen schaatsen die zo vergeeld zijn dat ze beige lijken. Ik heb een vergenoegd soort medelijden met ze.

Ik zet af en zwier over het ijs, mijn armen een beetje gespreid. De twee staarten in mijn haar wapperen in de wind. Ik schaats in bochten om de kleine kinderen met hun glij-ijzertjes, bewonder een ouder paar dat sierlijk in de pas schaatst en zie dan een leeg stuk ijs. Als ik me buk en hard afzet op het ijs schiet ik vooruit. Aan de ene oever flitst het stadsparkje achter de Wolfertstraat voorbij, aan de andere oever de Schinkelweg.
Dan blijft mijn schaats steken op een dikke rietstengel. Ik schiet met de andere voet ver door, land op mijn rug en het volgende moment voel ik ijskoud water onder mijn kuit. Ik probeer op handen en billen terug te krabbelen, maar het ijs is te glad en ik glijd door naar een wak tussen het riet.
Kleine handen grijpen mijn arm en trekken me terug. Ik kijk om, in de ogen van een meisje van een jaar of acht, mijn eigen leeftijd. Ze glimlacht breed. Haar spierwitte tanden en grote bos zwarte krullen vallen me op. ‘Bedankt’, hijg ik, ‘ik schrok me rot’.
‘Graag gedaan! Heb je pijn?’ Als ik nee schud, draait ze zich om en schaatst in een half rondje om me heen. Haar schaatsen zijn  bruin verkleurd en gescheurd, maar ze is wel snel.
Aan de kant staat een ander meisje strak naar haar te kijken. Ze draagt geen schaatsen, maar rode suède laarsjes. ‘Kom nou, Badia!’ roept ze. ‘Het is allang mijn beurt!’ Ze schopt haar laarzen uit en gaat demonstratief op de sneeuw zitten. ‘Mijn beurt’, herhaalt ze, ‘doe ze nou uit.’

Even later zijn de rollen omgedraaid. Badia zit aan de kant en trekt de rode laarzen over haar voeten, het andere meisje rijdt wankele pirouettes op de stokoude schaatsen.
Ik schuifel verlegen naar Badia toe. ‘Hoi’, zeg ik.
‘Hoi, zegt ze terug. We zijn even stil.
‘Wil je delen?’ vraag ik. Ik steek een van mijn voeten uit om aan te geven wat ik bedoel.
‘Delen?’ Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, dan nemen we allebei één schaats. Leuk joh, dan kan je met je andere voet afzetten op het ijs.’
Haar gezicht klaart op. ‘Ja, goed!’
Als ik naast haar neerplof en de strakke veters van mijn rechterschaats lospeuter, vraagt ze mijn naam. ‘Cat’, zeg ik.
‘Ik heet Badia. Hier, geef maar.’ Mijn rechterschaats wisselt van eigenaar en de rode laarzen gaan aan onze kousenvoeten.  We komen overeind, wiebelen hevig op onze ene schaats, grijpen ons aan elkaar vast en even later hinkelschaatsen we weg.

Na twintig baantjes over de Schinkel kunnen we niet meer.  Badia’s wangen zijn knalrood, ik voel die van mij prikken en gloeien. Fahiha, haar zusje, lacht om ons maar ook zij staat te hijgen op het ijs.
‘Wacht even’, roep ik, en haal mijn leren schoenen op van de overkant. Fahiha is al, zomaar op haar ijzers, de Schinkelweg overgestoken naar een van de smalle, oude huizen die in een rijtje naast elkaar staan.  Badia geeft me mijn andere schaats terug en trekt aan mijn arm. ‘Kom mee naar ons huis, gaan we nana drinken!’
‘Oké!’ antwoord ik, ook al heb ik geen idee wat nana is.
In de kleine hal van hun huis moet ik eerst mijn schoenen uittrekken. Badia loopt me voor naar binnen, verdwijnt in de keuken en komt terug met een paar glazen dampende geelgroene thee. Ik heb nog nooit thee in een glas gezien,  mijn moeder gebruikt altijd gebloemde theekopjes.
De eerste slok van de hete pepermuntthee is een sensatie. Zó zoet en toch zó fris. ‘Lekker!’, roep ik. Badia en Fahiha giechelen. Hun moeder steekt haar hoofd om de keukendeur en glimlacht breed naar me. Een van haar voortanden is glanzend goud. Onder haar geborduurde hoofddoek bungelt een lange donkere vlecht.  ‘Eten?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd. Ze vraagt het nog een paar keer, dringender, gebarend met haar handen. ‘Eten!’
‘Mijn moeder kent niet zoveel Nederlands’, zegt Badia. ‘Ze wil je gewoon een stukje brood geven, wij krijgen ook. ‘ Even later zitten we alle drie met een plat, driehoekig stuk witbrood in onze  handen. Het ruikt zoet en er zit een dikke laag pindakaas op. Met onze tanden scheuren we stukken van de stevige korst.

Als ik een half uur later met een volle buik naar huis ga, hebben we al afgesproken voor morgen. En overmorgen. En ook de dag daarna. Deze winter hoef ik niet meer alleen te schaatsen.

Prijswinnend verhaal in tweetalige catalogus

Vandaag bereikte me het leuke bericht dat mijn prijswinnend verhaal Tijd om thuis te komen, geschreven voor de Secret City expositie in Zoetermeer, tweetalig (NL-EN) wordt opgenomen in de catalogus. Stadsmuseum Zoetermeer, waar de fototentoonstelling heeft plaatsgevonden, zal de catalogus uitbrengen. De exposanten, fotograaf Andrew Brooks en zijn partner Andy Brydon, hebben in Engeland en Nederland verborgen of vergeten plekken in allerlei steden vastgelegd op de gevoelige plaat. Het resultaat is boeiend en mysterieus: Zoetermeer heeft er nog nooit zo bijzonder uitgezien.