Tagarchief: schilderijen

Verhaal: Vereeuwigd in Olieverf

‘Vereeuwigd in olieverf, mooier kan het toch niet?’ De slotzin van mijn standaard verkooppraatje. Mijn stem klinkt cynisch, bijna sarcastisch. Soms verbaast het me hoe klanten met wijdopen ogen die lulkoek kunnen aanhoren en daarna vijfhonderd euro neerleggen voor een geschilderd portret. Meestal verbaast niets me meer. Ik zwaai met mijn penselen en zij betalen, zo gaat het.

De man tegenover me heeft zich voorgesteld als Ramon Smit. Hij zit in de oudste en smerigste stoel in mijn atelier, een plaats die ik speciaal voor klanten reserveer. Tijdens ons hele gesprek heeft hij onafgebroken enthousiast zitten knikken. Ik wil een pot primer naar zijn hoofd gooien. De doffe klap, de deuk in zijn voorhoofd, zijn ogen die vol tranen schieten, zijn geschokte schreeuw.
Als zijn stem halverwege een zin blijft steken besef ik dat ik hem al een paar minuten met toegeknepen ogen aanstaar. Snel overpraat ik mijn faux pas: ‘U lijkt wel wat op een schilderij dat El Greco ooit gemaakt heeft.’
Bij zijn verwarde blik verduidelijk ik: ‘Donker haar, donkere ogen, klassiek profiel. Het wordt een mooi portret.’ Hij gaat wat meer rechtop zitten. Er verschijnen blosjes op zijn wangen en hij knikt opnieuw, duidelijk gevleid. De sukkel. Hij hoeft niet te weten dat veel doeken van El Greco gekenmerkt worden door afbeeldingen van verwrongen, gemarteld kijkende mensen.
Zelfs El Greco bepaalde niet zelf wat hij schilderde. Ook hij danste naar de pijpen van opdrachtgevers. Ik verlies me in fantasieën over de doeken die ik zou creëren als ik de vrije hand had, als ik maar geen broodschilder hoefde te zijn om te kunnen leven, als ik maar niet dagelijks met het domme koopvee hoefde te onderhandelen om wat inkomen te genereren.

‘Jonas? Kan ik nog wat van uw werk zien?’ Ik schrik op. Ramon Smit gebaart naar de schilderijen die links en rechts tegen de muren en op ezels staan. Zijn lichtgroene overhemd kreukt in de elleboogplooien. Op de mouwen zitten al vlekken van de armleuningen van mijn oude leunstoel.
Ik glimlach en sta op. ‘Natuurlijk, kom maar.’ Hij komt overeind zonder iets om te gooien, maar in mijn geestesoog zie ik hem struikelen over de denkbeeldige pot primer en zijn ribben breken tegen de punt van mijn tekentafel.
Hij buigt zich over een portret van een klein meisje. Het kind heeft een teddybeer tegen haar borst gedrukt. Ik probeer zijn ogen te volgen, zijn blik te bepalen. Ziet hij de gevaarlijke, gefrustreerde glans in de kraalogen van het geschilderde knuffelbeest?
Natuurlijk niet. Hij glimlacht vertederd. ‘Wat een prachtige, levensechte kleuren. Heeft u kobaltblauw of cerulean blauw voor haar ogen gebruikt?’ In een doorzichtige poging zowel op te scheppen als bescheiden te klinken voegt hij eraan toe ‘Ik heb ook wel eens wat geschilderd, toen ik nog jong was. Lang niet zo goed als u, natuurlijk.’
Alleen door me in te denken wat de kleine tandjes van die teddybeer met zijn opgeblazen gezicht zouden kunnen doen, lukt het me hoffelijk te antwoorden. ‘Een kunstkenner van nature, ik hoor het al.’
Ik blaas een pluisje weg van de rand van het doek. ‘Volgende week haalt haar oma het doek op, het moet nog even drogen.’ Een vette kletskous met eindeloze verhalen over het getormenteerde leven van haar dochter, die ondanks alles toch nog zo’n lieve moeder voor het kleinkind blijft. Ik zie er nu al tegenop.

Ramon is alweer doorgelopen naar het volgende schilderij. Het is nog niet helemaal af. Een gepermanent type huisvrouw met een zwart jaren-50 montuur op haar neus, gedempte kleuren. De sepiatinten van de oude foto die ik van haar echtgenoot moest gebruiken staan me nog levendig bij. Hoe die zak van een vent juist met zo’n belegen foto aan kon komen zetten is me nog steeds een raadsel. Ze was toen op haar mooist, had hij snikkend verteld. Hij wilde haar zó uit laten schilderen en niet anders.
Op dit doek heeft Ramon geen commentaar. Onverwachts draait hij zich naar me om. ‘Ik volg u al een tijdje, weet u.’
‘O?’
‘Ja. Weet u wat me vooral opviel?’
‘Geen idee.’
‘Uw klanten.’
Dit komt aan. ‘Klanten, zei u?’
‘Ja. U weet wel waar ik het over heb, nietwaar?’
Ik blijf neutraal. ‘Natuurlijk. Klanten. Zij betalen me, ik schilder voor ze. Iedereen blij.’
Ramon is dichterbij gekomen. Zijn blik priemt. Ik voel hoofdpijn opkomen. Hij vervolgt: ‘Kunt u zich de familie Scholten herinneren? Vader, moeder, gehandicapte dochter?’
‘Niet echt.’
‘Natuurlijk wel. U heeft ze een paar jaar geleden uitgeschilderd.’
‘Mmm, ja, nu u het zegt.’
‘U weet vast ook wel dat hun huis drie maanden daarna is afgebrand en dat ze allemaal zijn omgekomen?’
Ik open mijn mond, maar hij is me voor: ‘Dat schilderij had flink wat brandschade. Ik heb het tussen het puin zien liggen.’
Hij kijkt me afwachtend aan. Ik heb geen antwoord voor hem.
‘Daarna de oude dame Van Dorp. Een goed gelukt portret, vond ik. Heel flatteus, al beviel die rode achtergrond me niet. Jammer dat ze er maar een maand van heeft kunnen genieten voor ze verdronk in haar badkuip.’
‘Badkuip?’ Mijn stem klinkt zwak, piepend. Ik schraap mijn keel.
‘En dat jonge echtpaar, hoe heten ze ook alweer… Bart en Marije Heemskerk. Overvallen en neergeschoten, toch? Hun portret is met het grof vuil meegegaan.’

Ik doe een paar stappen achteruit en steek mijn kin omhoog. Ik zal mijn huid duur verkopen. ‘Oké, waar blijft je penning? Politie, toch? Kom op, arresteer me maar. Allemaal toeval, ik weet van niets. Kijk maar of je iets kunt bewijzen.’
Zijn ogen worden groot. Hij staart me aan. Ik zet me schrap voor een confrontatie. Dan barst hij in lachen uit. Het duurt wel een minuut voor hij weer op adem komt. Hijgend en kuchend veegt hij de tranen uit zijn ogen.
‘Politie? Ben je gek? Wie denk je dat die mensen heeft vermoord?’
Elk spoor van een lach is nu van zijn gezicht verdwenen. Hij beweegt naar me toe met een vreemde, schuine gang.
‘Jouw schilderijen zijn walgelijk. Slecht, in en in slecht. Duivels. Net als jijzelf. Die lui waren bezoedeld door je werk, ze konden niet blijven leven.’ Hij draait zijn lichaam naar me toe. In zijn hand houdt hij een lang penseel. Mijn blik blijft steken bij de lichter gekleurde, gevijlde punt.
Ik deins verder terug tot ik iets hoekigs in mijn rug voel. Een snelle blik naar achteren. Het rek met de voorraad primerpotten.
Als ik mijn hoofd terugdraai staat Ramon bijna tegen me aan. Zijn warme koffie-adem golft vochtig over mijn wang. Zijn mond is open; hij glimlacht breed, blij, een man met een missie die bijna voltooid is.
‘Geen schilderijen meer, Jonas. Nooit meer.’

Advertenties

Over Vereeuwigd in Olieverf

De basis van het verhaal Vereeuwigd in Olievef is een oefening in het schrijven in de eerste persoon, maar vanuit een personage dat ver van mezelf afstaat.

Ik heb, in tegenstelling tot de schilder, vrij positieve gevoelens over de meeste mensen. Toch herken ik zijn frustratie wel. Misschien heeft iedereen die wel eens ervaren. Al op school kan het gebeuren dat de normaal zo leuke tekenklas of het opstelhuiswerk wordt verpest door een opgelegde taak waar de kleine kunstenaar of schrijver geen interesse in heeft. Als elfjarige, borrelend van creativiteit, heb ik wel eens drie lesuren lang een stilleven van een pot en een fles moeten schilderen. De vampiertjes, prinsessen en draken die in mijn hoofd ronddartelden moesten wachten tot ik me thuis op mijn schetsboek kon storten.
Ook voor volwassenen is het moeilijk als een taak of project op werk dient te worden ingevuld op een manier die slecht bij ze past. Veel mensen zijn productiever en gelukkiger als ze het werk op hun eigen manier kunnen inrichten en uitvoeren.

Voor iemand met een sterke creatieve drang, zoals een kunstschilder, moet het moeilijk zijn om daar niet aan toe te kunnen geven maar alle energie te besteden aan – bijvoorbeeld – goed gelijkende portretten. Ik wens alle kunstenaars dan ook een succesvolle carrière toe met hun eigen, oorspronkelijke werk.