Tagarchief: ouderen

Fragment van verhaal Thuiszorg

Met het verhaal Thuiszorg heb ik de tweede prijs gewonnen in thrillerwedstrijd Duistere Signalen. Binnenkort verschijnt de megadikke, gelijkluidende verhalenbundel met dit verhaal, en alle andere verhalen die door de jurering zijn gekomen. Lijkt me een heerlijk boek.

Hier een fragment, de eerste alinea’s van het verhaal. Klinkt nog niet als een thriller, hè? Klopt, de spanning volgt pas later in het verhaal.

Thuiszorg

Zijn vingers bewogen soepel langs de snaren van de harp. Elke snaar die hij beroerde vibreerde met een zuivere toon, een kristallen druppel in de mist van straatgeluiden en het zoemen van de koelkast. Een regenbui van fonkelheldere klanken doordrenkte de hoge kamer van zijn smalle woning aan de gracht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan Liebestraum van Liszt.

Een bons, een klap en dan een gierend loeien, boven de muziek uit. Door het matte glas van de kamerdeur zag hij een jonge vrouw door de gang heen en weer lopen. Ze duwde een stofzuiger voort. Zijn vingers vervolgden automatisch hun dans langs de snaren maar de betovering was verbroken. Toen de vrouw de kamerdeur openduwde met haar elleboog terwijl ze met haar andere hand de ouderwets grote stofzuiger langs de deurpost naar binnen sleurde, gaf hij het op. Hij liet zijn handen zakken. De harp trilde na met een enkele noot die verdween in het kabaal van de stofzuiger.

Advertenties

Blozende bloemen wint plaats in verhalenbundel

Mijn verhaal Blozende bloemen, geschreven naar aanleiding van een wedstrijd van uitgever Pamac, is als een van de winnende verhalen uit de bus gekomen. Het verhaal wordt opgenomen in de verhalenbundel met dezelfde naam als de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten.
Een aparte naam voor een schrijfwedstrijd en de resulterende verhalenbundel? Nou en of. Mijn bijdrage is dan ook net zo buitenissig geworden.

De bundel wordt in augustus door Pamac uitgegeven, in gedrukte vorm en wellicht ook als e-book. Mijn complete verhaal is daarin te lezen, maar hier vast een fragment.

Ze verliest bijna haar evenwicht als de deur van de bloemenstal met een zachte klik opengaat. In een reflex grijpt ze naar de deurposten aan weerszijden en stoot hard haar vingers. Ze slaakt een verstikte kreet als ze beseft wat ze doet en dan golft de pijn door haar heen, van haar vingers door haar polsen rechtstreeks naar de traanklieren in haar ogen. Terwijl de tranen over haar wangen rollen ademt ze beverig in en uit.

 Langzaam trekt de pijn weg en komt de wereld weer in focus. Ze staat nog steeds in de deuropening van Blozende Bloemen. De deur staat wijd open en een koude wind blaast regendruppels in haar nek. Twee, drie stappen en dan staat ze midden in de stal, ongeveer op de plek waar vroeger de samengestelde boeketten in een kluitje bij elkaar stonden. Godzijdank kan de wind hier niet komen. In de stal hangt een zware geur van vocht, schimmel en ook van snijbloemen, beseft ze.

Ineens krijgt Leny de zwart-witfoto weer in het oog. De foto is haarscherp, alsof hij gisteren pas is genomen, en het onderwerp is makkelijk te herkennen. Onbegrijpelijk dat ze het van buiten niet zag. Op de foto staat de bloemenstal. Hij moet zijn genomen op een warme en heldere dag. De twee bomen links van de stal zijn een stuk kleiner dan nu en staan vol in het blad. Ze werpen grillige schaduwen over het winkeltje. In de deuropening staat een jonge vrouw. Ze draagt een ouderwetse jurk die op de foto effen grijs lijkt. Rozerood, denkt Leny, en verbaast zich over de gedachte. Die jurk kan elke willekeurige kleur wel hebben gehad. 

Ik hoop dat jullie nieuwsgierig zijn naar de rest! 🙂

Lekker bekkie

De oude heer zit in een leunstoel. Niet rechtop, maar schuin naar de vrouw rechts van hem gebogen, die onderuitgezakt in een rolstoel zit. Hij houdt haar kleine hand in zijn beide handen en wrijft er over. Zachtjes maar onophoudelijk gaan zijn vingers over haar gevlekte huid. Alsof hij de levenslust erin terug wil wrijven.
Zij kijkt niet naar hem. Soms heft ze haar hoofd met de keurige witte watergolfkrullen en zegt iets: ‘Het duurt lang, hè?’, of ‘Ze lopen daar alsmaar rond’, of ‘We blijven vanavond toch niet lang weg?’
Hij glimlacht en knikt naar haar. ‘Nee hoor, we blijven echt niet lang weg’. Hij brengt haar hand omhoog en kust hem.
Hij weet zeker dat ze niet lang wegblijven, of eigenlijk: dat ze helemaal niet weggaan. De oude heer en de oude mevrouw wonen in een gesloten afdeling en blijven daar. Binnen, in de grote betegelde kamers met kleedjes op de tafels en een televisie die altijd staat te blèren, of buiten op het kleine balkon als het warm genoeg is.
Ze hoort zijn antwoord niet, dat kan ze niet, ze is stokdoof. Maar ze ziet zijn glimlach en die stelt haar gerust. De alertheid zakt langzaam weg uit haar blauwe ogen. Haar blik is doelloos gericht op het doorzichtige kunststof tafelblad dat op de rolstoel is gemonteerd. Het blad is nuttig, de verzorgers kunnen er haar voedsel en drinken opzetten. Het is sterk genoeg om op te leunen en is bovendien stevig vastgemaakt, zodat ze niet kan opstaan uit de rolstoel, ronddwalen en vallen. Er zitten vetvlekken op. Door het blad heen is haar beige pantalon zichtbaar,  helemaal schoon en kreukvrij.

‘Negentienhoeveel is het?’ vraagt hij aan haar kleindochter, die op een te hoge zadelkruk aan haar andere kant zit. ‘Al 2012? Dan ben ik, even nadenken, ik ben van 1918, tachtig plus twaalf, twee, dan ben ik al 94 jaar. Hoe heb ik zo oud kunnen worden? Dat had ik nooit kunnen denken, ongelooflijk’. Hij kijkt naar zijn metgezellin, haalt zijn rechterhand van de hare en streelt haar schouder. ‘En zij is dan 92, want ze is twee jaar jonger dan ik.’
Hij is even stil en glimlacht dan weer, een brede glimlach die een rechte, blanke rij kunsttanden toont. ‘We hebben mekaar op het kerkhof ontmoet. Zij was al weduwe en ik had ook al twee vrouwen begraven. We zochten mekaar daarna  weer op, op zoek naar gezelschap, hè? En we zijn altijd samen gebleven.’ Opnieuw een handkus. ‘Omdat we nog samen zijn ben ik toch wel gelukkig. Als we maar bij mekaar zijn.’
De oude dame heeft geen aandacht voor hem of voor zijn liefdevolle behandeling van haar linkerhand. Haar eigen opmerkingen komen met grote tussenpozen en hebben geen relatie tot zijn woorden. ‘De kinderen zijn nog thuis’, zegt ze, en laat opnieuw haar hoofd zakken.
Hij praat er doorheen. ‘Welk jaar is het? 2012? Dan ben ik, even rekenen hoor. Ik ben dan 94 jaar oud! Wat een leeftijd. En zij is 92, want ze is twee jaar jonger.’ Hij neemt haar hand nog wat steviger tussen de zijne en aait, streelt, wrijft. ‘We ontmoetten elkaar in het zwembad, daar gingen we altijd zwemmen en dan praatten we wat na.’
‘De Waterthor, toch, bij de Thorbeckelaan?’ probeert haar kleindochter, voor wie het verhaal niet nieuw is. ‘Die staat er nog steeds.’
Hij knikt vaag. ‘Ja, ja’.

De oude mevrouw heft haar hoofd, zegt weer wat en zakt weer ineen. De kleindochter heeft het niet verstaan. Ze buigt zich vanaf haar zadelkruk omlaag naar het plastic blad van de rolstoel, zo ver dat ze haar grootmoeder recht aan kan kijken. Die kijkt terug, met ogen die groter lijken dan ooit en zo onbevangen als die van een klein meisje. De kleindochter glimlacht, maar zegt niets. Ze heeft geen woorden meer die kunnen aankomen, ze zouden terugrollen als knikkers tegen een muur zonder holte.

Dan beweegt de oude vrouw. Ze heft een verrassend stabiele hand en legt hem tegen de wang van haar kleindochter. Glimlachend en met heldere stem zegt ze twee duidelijke verstaanbare woorden: ‘Lekker bekkie’.
Dan zakt haar hand weer, en met haar hand zakt ook haar hoofd. Haar blik is weer leeg en even later lijkt ze te slapen. De oude heer en de kleindochter kijken elkaar aan, tot zij zich bukt om een papieren zakdoekje in haar tas te zoeken.

Verhaal: mee met mama

Mieneke staat nog buiten! De maartse bui roffelt tegen de ramen, druppels stromen in riviertjes naar beneden. Hoe kán ze die kleine zijn vergeten! De kap van de kinderwagen zal de regen niet lang tegenhouden. Zo snel ze kan rent Corry naar de achterkant van het huis. Het duurt veel te lang, de gang lijkt eindeloos, dat oude huis is ook zo groot. Ma zei al dat ze nog veel te leren had over het moederschap, en ja hoor, bij de eerste de beste regenbui vergeet ze dat haar baby in de tuin ligt te slapen. Haar eigen lieve meisje. Corry’s keel wordt dik en pijnlijk.

Haar benen trillen van de inspanning. Ze struikelt over de ongelijke tegelvloer en komt met een klap tegen de tuindeur aan. Dwars door de dikke druppels op de ruit ziet ze de kinderwagen op het plaatsje staan. De donkerblauwe kap lijkt glimmend zwart door alle nattigheid. De dekentjes bewegen schokkerig, er komt een roze armpje onder de kap vandaan, de vingertjes krampachtig gestrekt in onhoorbaar huilen.

‘Ik kom eraan Mieneke, stil maar, mama komt al!’ Corry draait aan de deurknop, maar de deur blijft dicht. Ze draait nog eens, rukt aan de knop, slaat op de ruit. Haar kin begint te bibberen. ‘Ik kom eraan, stil maar, ik kom eraan!’ Ze schreeuwt het uit, rammelt aan de deur. ‘Ik kom eraan…’ Haar stem breekt. Ze slaat nog een keer tegen de deur en blijft staan, haar voorhoofd tegen de ruit gedrukt. Het glas wordt wazig door haar tranen.

‘Mevrouw Vaassen? Corry?’ Ze kijkt op. Naast haar staat een jonge vrouw met een mollig gezicht. Ze houdt een blonde baby in een pluizig dekentje omhoog. ‘Hier, uw kindje. Ga haar maar knuffelen, dat vindt ze vast fijn’.
Corry’s ogen worden groot. Ze aarzelt. Dan glimlacht ze, opgelucht. Ach ja, Mieneke ís helemaal niet buiten. De kinderjuf paste op haar. Ze bedankt de jonge vrouw, maar op een of andere manier klinken haar woorden niet helemaal goed. Het geeft niet. Voorzichtig neemt ze het bundeltje over. Denk om het nekje, goed ondersteunen. De blauwe ogen van de kleine Mieneke staan wijd open. Corry wiegt het kindje zachtjes heen en weer. Kom maar schatje, mee met mama.

Prya blijft nog even kijken of de oude dame wel goed terugkomt in haar kamer. Soms blijft ze na zo’n emotionele uitbarsting een paar dagen erg verward. Haar collega’s in de kantine van psychogeriatrische zorggroep Hibiscus hadden het er al over: ‘Het gaat regenen, dat wordt weer gedoe met mevrouw Vaassen. Houd haar babypop maar in de buurt.’
Langzaam schuifelt mevrouw Vaassen haar slaapkamer in. Ze drukt de plastic baby in het wollen dekentje stevig tegen zich aan. Haar gezicht straalt. Prya wacht nog even voor de zekerheid, wendt zich dan af en controleert de gesloten glazen deur naar het balkon. Geen beschadigingen, gelukkig heeft de oude vrouw niet veel kracht in haar handen.
Het wordt even wat lichter en ze kijkt omhoog. Tussen de hoge gebouwen aan de overkant is een stukje hemel zichtbaar, nog grijs, maar het klaart al op.

Verhaal: Ellie en de bril

Als ze haar ogen half dichtknijpt wordt het televisiebeeld iets scherper.  Die man met het blonde haar is Nick, de nieuwe man van Brooke, ze is er bijna zeker van. Of is Brooke alweer terug bij Ridge, ze hóórt bij hem, dat moet ze toch begrijpen na al die jaren. Ellie zucht. Alles is zo moeilijk sinds ze haar bril kwijt is. Ze weet echt niet meer wat er allemaal gebeurt in The Bold and the Beautiful. De karakters op het scherm bewegen in een waas om elkaar heen.

Ze draait haar hoofd naar links, kreunt zachtjes als de artritis scherpe nagels in haar nek zet. Het bijzettafeltje is leeg, geen bril te bekennen. Aan haar rechterkant ligt hij niet, dat weet ze, daar is alleen de rugleuning van de bank waar ze languit op ligt.

De hulp komt over twee dagen, maar die zal misschien niet helpen zoeken. Ida zegt altijd dat ze geen tijd heeft voor extraatjes, zo noemt ze dat. Dan blijft ze te lang en wordt haar baas boos. Ze gebruikt andere woorden, maar volgens Ellie is het gewoon zo dat haar baas boos wordt. Als Ida zoiets zegt glimlacht ze maar zo’n beetje en antwoordt dat Ida natuurlijk nog meer oude mensen moet verzorgen. Ze blijft alleen achter als Ida de deur achter zich dicht trekt.

Ze kijkt naar de telefoon. Zal ze Ralf bellen? Hij woont niet zo ver weg, met de tram is het maar een half uurtje. Hij heeft trouwens een auto. Iedereen heeft tegenwoordig een auto, lijkt het wel. Onzinnig, vroeger pakte je gewoon de tram of de fiets en je kwam overal. Ze steekt haar hand uit. Haar beverige vingers lijken te verdwalen in de ruimte boven de bijzettafel, maar het lukt haar na een poosje toch de hoorn van de haak te pakken. Ze hoeft geen heel telefoonnummer in te toetsen; als ze op de knop drukt met het stekelige vormpje en dan op de knop met het cijfer 3 moet ze vanzelf Ralf aan de lijn krijgen.

De telefoon gaat een paar keer over. De stem van haar schoondochter klinkt aan de andere kant. Ellie begint meteen te praten: ‘Hallo, Ria? Is Ralf daar ook? Kun je hem sturen, ik ben mijn…’  Ria’s stem kabbelt door of ze Ellie niet hoort en plots klinkt er een zachte pieptoon. Ellie kijkt naar de hoorn. Dat was het antwoordapparaat, beseft ze. Ze moet nu snel iets zeggen. ‘Ria? Ralf? Als jullie dit horen, kan er dan iemand komen zoeken naar mijn bril? Dag, hoor.’ Ze legt de hoorn neer.
Een ansichtkaart naast de telefoon trekt haar aandacht. Ze kan de woorden niet lezen, maar de felblauwe zee op de voorkant is onmiskenbaar. Ineens herinnert ze zich dat Ralf op vakantie is. Hij zal niet komen helpen. Misschien Maartje… Nee, die hoeft ze niet te proberen. Die komt niet eens met Moederdag over.

Ze kijkt opnieuw naar de bijzettafel. De telefoon, de ansichtkaart, de afstandsbediening, een folder van het verzorgingshuis waar ze op de wachtlijst staat. Verder niets. Haar maag roert zich, een bijna onmerkbaar ongemak. Wanneer heeft ze voor het laatst gegeten? Of gedronken? Ze weet het niet meer. Het is zoveel moeite om op te staan van de bank. Laat ook maar, ze kan beter niet teveel eten en vooral niet drinken. Dan moet ze weer naar de wc. Beter om rustig op de bank te blijven liggen.
Ze kijkt weer naar The Bold en the Beautiful. Ridge staat op het punt om Brooke te kussen. Als het Ridge tenminste is, ze is er nog steeds niet zeker van. Het is ook niet zo belangrijk, er komt morgen een herhaling. Misschien moet ze maar even dutten. Ze is zo ontzettend moe. Haar oogleden zakken alsmaar dicht.

Ellies hand valt langs de bank naar beneden. Ze merkt niet dat haar gezwollen vingers blijven rusten op de poot van een goudkleurige bril, die onder de bank op de grond ligt. De hulp die zichzelf twee dagen later binnenlaat, merkt de bril ook niet op. Hij blijft liggen als een ambulance Ellie meeneemt naar het ziekenhuis.

Ralf is eerder teruggekomen van vakantie en Maartje is overgekomen vanuit Limburg, maar geen van beiden hebben ze tijd om na de crematie de flat van hun moeder leeg te halen. Het is een opkoper die uiteindelijk Ellie’s bril van het tapijt oppakt. Na een snelle blik op het ouderwetse montuur gooit hij de bril met een zwaai in de vuilniscontainer. ‘Oud ding’, bromt hij in zichzelf. ‘Nergens meer goed voor’.

Over Ellie en de bril

Het is een controversieel onderwerp: de eenzaamheid van oudere, min of meer zorgbehoevende mensen. Mensen dus, die er niet zo makkelijk zelf op uit kunnen gaan om hun dierbaren te bezoeken.

Waarom controversieel? Omdat er altijd een verwijt opgesloten lijkt te liggen in de vaststelling dat ouderen weinig aanspraak hebben. Waar blijven die kinderen, kleinkinderen, schoondochters en -zonen, neven, nichten en buurvrouwen?

Het is een open deur dat de samenleving is veranderd sinds de jeugd van onze (groot)ouders. Vooral vrouwen werken vaker, bovendien zijn er ook tal van andere zaken bijgekomen die onze aandacht opeisen. Wat misschien nog meer is veranderd, is hoe we tegen onze vrije tijd aankijken en wat we beschouwen als sociale verplichtingen. Onze (groot)ouders gingen vroeger ook heus niet twee keer per week met zinderend enthousiasme naar hun oude vader of moeder, schoonouders of grootouders, maar ze gingen wel. En beschouwen die contacten achteraf als waardevol.

Alweer een verwijt? Nee. Zoals ik al zei, de samenleving is veranderd. Zelfs zonder veelvuldige bezoekjes aan oudere familieleden hebben mensen vaak het gevoel dat ze eeuwig tijd tekort komen.

Gelukkig kunnen ook nu heel veel ouderen gewoon nog rekenen op de aandacht van hun kinderen, de huidige babyboomers. Of die kinderen later zelf voldoende aanspraak hebben, is nog maar de vraag.

Roze kralen

‘Wat vind jij, de zwarte of de grijze? Of juist die rode om een statement te maken?’ Carina likt aan haar wijsvinger en poetst een vlekje van de bloedrode hakken van haar Louboutins. De rode pumps staan op de favorietenplank van haar inloopkast, tussen lage D&G laarsjes met een ingebrand patroon van kleine kroontjes en hooggehakte Romeinse sandalen van slangenleer.
Rombout reageert niet. Ze hoort hem in de badkamer rommelen. Geritsel van het gevlochten mandje waarin hij zijn vierbladige scheermesje bewaart en de flacon vochtinbrengende after-shave emulsie.

‘Rombout?’ Geen antwoord. Ze versmalt haar ogen, pakt een paar goedkope stilettohakken van de onderste plank en loopt naar de badkamer. Door de half open deur ziet ze de beslagen spiegel boven de wastafel. Haar man staat zo dichtbij zijn spiegelbeeld dat zijn neus het glas bijna raakt. Hij is naakt op zijn Calvin Klein boxershorts na. Zijn gebruinde huid glanst. Hij masseert een kleurloze gel in de huid onder zijn ogen. Op de wastafel staat haar potje eye contour gel, het deksel ligt ernaast.

Carina beschrijft een volle cirkel met haar rechterarm zoals haar vader het haar vroeger heeft geleerd en slingert de pumps bovenhands de badkamer in. Eén landt zonder schade aan te richten op een donzige handdoek, de ander raakt met een bevredigende klap zijn gladde bovenbeen. Met een scherpe kreet draait hij zich om, maar hij valt stil als hij Carina’s gezicht ziet.
‘Ik zei: de zwarte of de grijze? Of de rode?’ Ze houdt haar ogen strak en zonder te knipperen op de zijne gericht.
Hij wendt zich terug naar de wastafel. ‘Ik weet het niet, misschien die zwarte maar’, mompelt hij. Hij draait het deksel op het potje, werpt haar een snelle blik toe via de spiegel en neemt het potje af met zijn handdoek voor hij het terugzet op de plank. Op zijn been zit een lange donkerroze kras.
Ze glimlacht. ‘Idioot. Schiet nou maar op. Ik kom door jou niet te laat op de begrafenis van mijn eigen oma’. De pumps laat ze liggen.

Ze zit op bed. De boxspring matras is zo hoog dat zelfs met de Louboutins aan, haar voeten niet bij de grond komen. Ze kijkt weg van haar benen die zo kinderlijk bungelend over de rand hangen. Op het nachtblauwe satijn van de sprei ligt een ketting, roze kralen met bewerkte schakeltjes ertussen. Het snoer is zo lang dat de schakels en kralen samen een bergje vormen. Ze roert erdoor met haar wijsvinger. Het maakt een ratelend geluid. Uit de bewegende lussen stijgt een schimmelige lucht op.

‘Carina?’ Rombout loopt naar het bed. Hij draagt een antracietgrijs pak van Hugo Boss dat zijn slanke middel en vierkante schouders accentueert. Eronder het zwarte overhemd dat ze voor hem had klaargelegd. Een perfecte combinatie, een toonbeeld van mannelijke schoonheid.
‘Als je wilt gaan, ik ben klaar hoor’. Hij strekt zijn hand naar haar uit, aarzelt, trekt hem terug.
Ze laat het passeren. ‘Kijk’, ze houdt een lus van de ketting omhoog, ‘dit was mijn oma’s lievelingsketting. Ze had het stomme ding altijd om’.
Ze voelt meer dan dat ze ziet hoe Rombout zoekt naar de juiste reactie. ‘Mooi,’ waagt hij uiteindelijk.
Carina staart hem aan. ‘Je hebt toch ogen in je hoofd, of niet? ’t Is een plastic geval, niks waard. En het ruikt vies. Ze maakte d’r flatje allang niet meer goed schoon, die lucht zit in al haar spullen. Het is trouwens toch allemaal troep, ik heb het grof vuil al gebeld. Dit gooi ik ook weg’.
Ze laat de ketting vallen en staat abrupt op van het bed. Rombout doet haastig een stap naar achteren. Ze wuift hem opzij als ze langs hem naar de deur loopt. ‘Je bent wel echt een stoere pik, hè?’ Zonder antwoord te geven volgt hij haar de kamer uit.

Snelle voetstappen in de gang. Licht hijgend komt Carina terug de slaapkamer in. Ze pakt de ketting van de sprei, buigt haar hoofd en drukt hem tegen haar wang. Na een tijdje kijkt ze op. Met trillende handen hangt ze de ketting om haar nek. De roze kralen en schakeltjes komen tot op haar middel. In de spiegel naast het bed zien haar ogen er groot en kwetsbaar uit. Ze knijpt ze even stijf dicht, haalt diep adem en haast zich naar de overloop.
Rombout wacht bij de trap. Als hij Carina ziet haalt hij de autosleutels uit de zak van zijn pantalon. Hij beweegt wat opzij om haar te laten passeren. Dan ziet hij de lange ketting die tegen haar borsten danst. ‘Hee, heb je ‘m toch omgedaan? Je zou dat ding toch weggooien?’ Hij tikt zachtjes tegen een grote kraal.

Carina ziet zijn hand dichterbij komen, zijn gemanicuurde vinger met donkerblonde haartjes die de ketting van haar grootmoeder aanraakt. Ze ontwijkt hem met een onbeheerste draai. Onder haar rechtervoet breekt de hak van de Louboutin af. Een vochtig ploppend geluid, alsof de schoen een ledemaat kwijtraakt. Haar enkel buigt door, haar knie volgt, haar heup en dan haar hele lichaam. In stilte valt ze van de trap, met zwaaiende armen en een opengesperde mond.
Pas als ze de grond raakt klinkt geluid; de inslag van haar lichaam, het kraken van de houten vloer, een kletterende regenbui van lichtroze kralen die haar de trap af volgen.

Op de overloop staat Rombout, een mooie man in een Hugo Bosspak. Zijn mond hangt open. Aan zijn uitgestrekte wijsvinger bungelt een eindje ketting met een enkele grote kraal.