Tagarchief: korte verhalen

Prijswinnend verhaal in tweetalige catalogus

Vandaag bereikte me het leuke bericht dat mijn prijswinnend verhaal Tijd om thuis te komen, geschreven voor de Secret City expositie in Zoetermeer, tweetalig (NL-EN) wordt opgenomen in de catalogus. Stadsmuseum Zoetermeer, waar de fototentoonstelling heeft plaatsgevonden, zal de catalogus uitbrengen. De exposanten, fotograaf Andrew Brooks en zijn partner Andy Brydon, hebben in Engeland en Nederland verborgen of vergeten plekken in allerlei steden vastgelegd op de gevoelige plaat. Het resultaat is boeiend en mysterieus: Zoetermeer heeft er nog nooit zo bijzonder uitgezien.

Advertenties

Verhaal: mee met mama

Mieneke staat nog buiten! De maartse bui roffelt tegen de ramen, druppels stromen in riviertjes naar beneden. Hoe kán ze die kleine zijn vergeten! De kap van de kinderwagen zal de regen niet lang tegenhouden. Zo snel ze kan rent Corry naar de achterkant van het huis. Het duurt veel te lang, de gang lijkt eindeloos, dat oude huis is ook zo groot. Ma zei al dat ze nog veel te leren had over het moederschap, en ja hoor, bij de eerste de beste regenbui vergeet ze dat haar baby in de tuin ligt te slapen. Haar eigen lieve meisje. Corry’s keel wordt dik en pijnlijk.

Haar benen trillen van de inspanning. Ze struikelt over de ongelijke tegelvloer en komt met een klap tegen de tuindeur aan. Dwars door de dikke druppels op de ruit ziet ze de kinderwagen op het plaatsje staan. De donkerblauwe kap lijkt glimmend zwart door alle nattigheid. De dekentjes bewegen schokkerig, er komt een roze armpje onder de kap vandaan, de vingertjes krampachtig gestrekt in onhoorbaar huilen.

‘Ik kom eraan Mieneke, stil maar, mama komt al!’ Corry draait aan de deurknop, maar de deur blijft dicht. Ze draait nog eens, rukt aan de knop, slaat op de ruit. Haar kin begint te bibberen. ‘Ik kom eraan, stil maar, ik kom eraan!’ Ze schreeuwt het uit, rammelt aan de deur. ‘Ik kom eraan…’ Haar stem breekt. Ze slaat nog een keer tegen de deur en blijft staan, haar voorhoofd tegen de ruit gedrukt. Het glas wordt wazig door haar tranen.

‘Mevrouw Vaassen? Corry?’ Ze kijkt op. Naast haar staat een jonge vrouw met een mollig gezicht. Ze houdt een blonde baby in een pluizig dekentje omhoog. ‘Hier, uw kindje. Ga haar maar knuffelen, dat vindt ze vast fijn’.
Corry’s ogen worden groot. Ze aarzelt. Dan glimlacht ze, opgelucht. Ach ja, Mieneke ís helemaal niet buiten. De kinderjuf paste op haar. Ze bedankt de jonge vrouw, maar op een of andere manier klinken haar woorden niet helemaal goed. Het geeft niet. Voorzichtig neemt ze het bundeltje over. Denk om het nekje, goed ondersteunen. De blauwe ogen van de kleine Mieneke staan wijd open. Corry wiegt het kindje zachtjes heen en weer. Kom maar schatje, mee met mama.

Prya blijft nog even kijken of de oude dame wel goed terugkomt in haar kamer. Soms blijft ze na zo’n emotionele uitbarsting een paar dagen erg verward. Haar collega’s in de kantine van psychogeriatrische zorggroep Hibiscus hadden het er al over: ‘Het gaat regenen, dat wordt weer gedoe met mevrouw Vaassen. Houd haar babypop maar in de buurt.’
Langzaam schuifelt mevrouw Vaassen haar slaapkamer in. Ze drukt de plastic baby in het wollen dekentje stevig tegen zich aan. Haar gezicht straalt. Prya wacht nog even voor de zekerheid, wendt zich dan af en controleert de gesloten glazen deur naar het balkon. Geen beschadigingen, gelukkig heeft de oude vrouw niet veel kracht in haar handen.
Het wordt even wat lichter en ze kijkt omhoog. Tussen de hoge gebouwen aan de overkant is een stukje hemel zichtbaar, nog grijs, maar het klaart al op.

Verhaal: Tijd om thuis te komen

 

Ze staat voor het venstergat in de vervallen muur en sluit haar ogen. Ze denkt aan een ander uitzicht, een ander landschap, met heuvels vol heide, stenen wallen en grazende schapen. Dat uitzicht bestaat nog steeds. Maar het is al zo lang geleden dat ze in haar geboorteplaats was om het te zien. De kleuren kan ze zich nog goed herinneren, het dromerige paars van de heide en de grijsheid van de eeuwige regenwolken. Ze haalt diep adem en kijkt. Gras, braamstruiken, betonblokken met afgesleten hoeken, verspreid tussen de brandnetels. Een hemel die al bloedrood kleurt in het avondlicht. Geen schapen, wel koeien en enkele paarden op een ver weiland. Een kille geur van modder en nat steen vult haar neus, een geur die eeuwen ouder lijkt dan dit natuurpark uit de jaren ’70.

Ze verliest bijna haar evenwicht als haar vingers van de muur glijden. De ruwe bakstenen zijn dikbemost en glibberig. Ze doet een stap naar achteren om haar balans te vinden. Haar regenjas blijft haken aan de doornen van een braamstruik.  Ze trekt de stof voorzichtig los en zoekt haar weg tussen de brandnetels, langs de kleine ruïne en de heuvel op, terug naar het wandelpad. Midden op het pad liggen de resten van een mol. Er is niet veel meer van over dan een grijsverkleurd velletje, in flarden om en over fragiele botjes en een miniem gebit. De klauwen van de mol liggen strak naast elkaar, alsof het dier speciaal in de houding is gaan liggen om te sterven. Ze stapt over het lichaampje heen.

Op het hoogste punt van het pad aarzelt ze. In de verte ziet ze de heldere lichten van Zoetermeer, de plaats waar ze achtenveertig jaar geleden vanuit Engeland is komen wonen. Eerst met haar moeder en nu al heel lang alleen. De hoge woontoren bij winkelcentrum Stadshart en de automobilisten die zich over de Amerikaweg haasten om naar huis te gaan zien er beangstigend uit, te fel, te druk. Ze moet naar huis, maar toch staat ze stil. De donkere leegte van het park achter haar lijkt te fluisteren, te vragen of ze echt weg moet, of ze niet nog even wil blijven.

Abrupt draait ze zich om. In de toenemende duisternis ziet ze niet veel. Behalve daar beneden, halverwege de heuvel, waar de ruïne als een gebroken bot door de huid van de aarde steekt. Een lage muur met enkele venstergaten, veel meer is het niet. Toch doet ook dit beeld haar denken aan het Yorkshire van haar jeugd, aan oude schapenkotten die de moeite van het opbouwen niet meer waard waren en langzaam uit elkaar vielen.  Door het venstergat waar ze zojuist stond zijn nog juist de laatste rode vegen van de zonsondergang zichtbaar. Het licht lijkt te worden geblokkeerd door een gestalte. Een hoekig, mannelijk silhouet met een hoofddeksel. Ze houdt haar adem in. Haar hele leven heeft ze maar één persoon gekend met zo’n vormloze jas, zo’n potsierlijk grote pet met oorkleppen. ‘Papa?’

De gestalte beweegt. Ze knijpt haar ogen half dicht maar het heeft geen nut, ze kan het niet goed zien, het is te donker en de muur staat ervoor. Ze kijkt nog even om naar de bewegende lichtjes van de stad. Ze lijken verder weg dan ooit. Haar voeten bewegen al vóór ze het bewuste besluit heeft genomen om terug te gaan naar de ruïne.
Moeizaam loopt ze door het gras naar beneden. Haar voeten blijven hangen achter de verstrengelde sprieten en de modderige grond is verraderlijk glad. Eindelijk staat ze naast de lage muur. In de verte raast het stadsverkeer, verder is het stil. Ze slikt, doet nog een stap, kijkt achter de muur.

Er is niets. Ze stoot een diepe zucht uit, de adem raspt pijnlijk in haar keel. Met gesloten ogen zakt ze langs de muur naar beneden. Haar zitvlak raakt vrijwel direct doorweekt door het contact met de koude grond.  Als ze een hand langs haar gezicht haalt, voelt ze dat haar wangen ook nat zijn. Een bijgelovige trien die teveel Yorkshire spookverhalen heeft gehoord, dat is ze. Haar verstand het zwijgen opgelegd door de wilde hoop haar vader te zien. Papa, die al bijna vijftig jaar dood is, verdronken in een ijskoude bergstroom, en begraven op het kleine kerkhof naast hun huis in Haworth. Ze schudt haar hoofd en zet haar hand op de grond om op te staan.

‘Emily.’ De stem van papa naast haar. Ze verstijft.
‘Emily, je bent het toch?’ Ze slaat haar ogen op. Naast haar, op de grond, laarzen. Grote, modderige  werklaarzen van stijf leer. Benen in een grijsverwassen tweed broek. Ze kijkt omhoog. Een vormloze jas, een grote pet met oorkleppen. Daaronder het gezicht van haar vader. Het is te donker om de kleur van zijn snor te onderscheiden, maar ze weet dat die donkerblond en rafelig is. Zijn ogen stralen. In het donker zijn ze als een lichtbaken.
Hij glimlacht en steekt zijn hand uit, raakt haar bijna aan, maar houdt op het laatste moment in. ‘Waar was je toch al die tijd? Ik heb gezocht, en gezocht. Je weet toch dat je niet zo laat op de moors mag spelen, dat is gevaarlijk.’  Nu raakt hij haar toch aan. Zijn grote hand rust op haar hoofd, zwaar en geruststellend. ‘Het is tijd om thuis te komen, mama is ongerust.’

Iedere twijfel aan zijn aanwezigheid, zijn overtuigend solide nabijheid, spoelt weg in een golf van emotie. Ze barst in tranen uit. ‘Papa, ik heb je zo gemist. Het spijt me zo, papa, zo erg.’ Met beide handen voelt ze aan zijn benen. Het korrelige leer van de oude werklaarzen en zijn prikkende tweed broekspijpen voelen vochtig maar toch warm aan. Ze kan hem niet aankijken, nog niet.

Haar vader lacht, een zacht rommelend geluid. ‘Zo erg is het toch niet. Kom meisje, het is in orde, papa is niet boos. Als je volgende keer maar vroeger thuiskomt.’
Ze kijkt met een ruk op. ‘Weet je dan niet wat er gebeurd is? Je weet niets?’
Hij is even stil. Zijn snor trilt, alsof hij een glimlach onderdrukt. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Zeg het maar.’
Ze reikt omhoog en pakt zijn hand, wrijft met haar vingers over de eeltige plekken op zijn handpalmen. Zonder woorden begrijpt hij wat ze wil en hurkt naast haar op de grond. Zijn ruwe huid met de rode adertjes op zijn wangen, het netwerk van fijne rimpels naast zijn ogen, zijn lichtblonde wenkbrauwen waar mama altijd grapjes over maakte. Al die kleine details die ze vergeten was maar die zelfs hier in het donker zo onmiskenbaar bij haar vader horen. Haar tranen drogen op haar wangen.

‘Heb je me nog wat te vertellen? Anders gaan we naar huis, ik heb nog stalwerk te doen.’ Een praktische man, haar vader, zelfs nu. ‘Nee papa, je hoeft geen stalwerk te doen.’ Ze aarzelt. ‘Weet je nog dat ik op de moors was gaan spelen? Het was al donker geworden en je ging me zoeken.’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog. Voor hij wat kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ik had een nest fazantenkuikens gevonden.’ Ze ziet de kuikens weer voor zich, hoe schattig ze waren in hun bruingestreepte donsvachtje.  ‘Toen ik zag hoe laat het was ging ik naar huis. Mama was thuis, maar jij niet.’ Ze ziet hem fronsen. Hij doet zijn mond open, maar ze steekt haar hand op en gaat door. ‘Je kwam niet thuis. De volgende dag, toen het licht was, hebben ze je lichaam gevonden in de rivier. Ze zeiden dat je in de Don moet zijn gevallen toen het te donker was om te zien waar je liep. Ze zeiden dat het water te koud was en dat je geen schijn van kans had. Dat is wat ze zeiden. Achtenveertig jaar geleden.’ Ze kijkt hem strak aan. ‘Begrijp je het? Je bent dood.’

Hij zwijgt. Ze weet niet wat ze nog meer kan zeggen. Dat het haar schuld was? Ze opent haar mond, maar de woorden willen niet komen. Haar vader beweegt. Hij steekt zijn hand uit, beweegt zijn vingers en kijkt er aandachtig naar. ‘Ik voel me niet dood.’ Hij kijkt haar schuin aan. De rimpels om zijn ogen zijn dieper geworden en zijn snor trilt niet meer, maar is gekruld in een geamuseerde glimlach. Met een gevoel van ongeloof beseft ze dat ze geïrriteerd raakt, haar dode vader neemt haar niet serieus.

Als zijn blik zich vestigt op haar schouders en zijn glimlach verdwijnt, merkt ze dat ze heftig zit te rillen. Ze haar schouders op. ‘Het is koud, ik heb mijn jas in de auto laten liggen.’
Hij geeft geen antwoord, maar haalt een aansteker uit zijn jaszak, dezelfde dofmetalen aansteker die ze zich van vroeger herinnert. ‘Kom hier met je handen.’ Ze houdt haar handen in een kommetje om de vlam. De warmte voelt troostend aan. Hij drukt de aansteker in haar hand, schudt zijn jas uit en legt die om haar schouders. De jas is nog even groot als toen ze een kind was; de schouders hangen bijna tot op haar ellebogen. Dan neemt hij de aansteker weer van haar over en houdt hem stil, zodat ze haar handen verder kan opwarmen. Langzaam ontspant ze. Het zachte licht speelt over het gezicht van haar vader, zijn wollen trui en het regelmatige reliëf van zijn tweed broek. Zijn adem vormt wolkjes in de koude lucht.

Ze weet niet hoe lang het duurt voor een van hen weer spreekt. Haar vader schraapt zijn keel. ‘Het is mooi geweest. Kom liefje, we gaan naar huis. Ik weet zeker dat mama het eten allang klaar heeft.’ Ze perst haar lippen op elkaar. Ze moet het hem duidelijk maken. Er is geen mama, geen eten, geen thuis.
‘Zie je dan niet dat ik geen kind meer ben? Kijk naar me!’ Ze gebaart naar haar lichaam, maar haar stevige benen in de bruinkatoenen broek en de sportieve wandelschoenen zijn er niet meer. In plaats daarvan ziet ze dunne kinderbeentjes in een maillot, een wollen rok en hoge rubberen laarzen. Geel. Het geel van de laarzen die ze voor haar negende verjaardag kreeg.

Haar vader staat op en steekt zijn hand uit. ‘Ga je mee?’ Ze kijkt omhoog. Het is volledig donker. Aan de zwarte lucht twinkelen wat sterren. Geen blinkende woontoren in de verte. Geen verkeersgeluiden. Wel, ver weg, het  ruisen van een bergstroom. Ze hoort de roep van een opfladderende fazant. De veren op zijn vleugels weerkaatsen het maanlicht.
Als ze de hand van haar vader pakt en opspringt, begint ze hardop te lachen. Hij glimlacht terug, draait zich om en begint te lopen. Ze volgt. Het koude lichaam dat achterblijft bij de muur keurt ze geen blik waardig. Met gespreide armen rent ze haar vader voorbij, de met heide begroeide heuvels op.  Ze kent de weg naar huis. Het is tijd, hoog tijd om thuis te komen.

—————————————–

Dit verhaal heeft de eerste prijs gewonnen in de landelijke schrijfwedstrijd Secret City.

Verhaal: Boerderijkatjes

Het is donker in de grote schuur. Voorzichtig doet Tommy een stap naar voren. Onder zijn sandalen ritselt stro. Kakelgeluiden van geschrokken kippen en nog meer geritsel in de hoeken. Hij stoot zijn knie tegen een hek dat piepend openschiet en met een klap weer dichtvalt. De kippen kakelen opnieuw, een stuk verder weg nu. Tommy duwt het hek open en sluit het voorzichtig achter zich. Zijn hand blijft haken, plotselinge pijn. Uit een schram welt bloed op. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en zuigt op de wond.
Het is stil. Hij kijkt rond, maar kan niet veel onderscheiden. Diffuus sijpelt het avondlicht door de vuile ramen. Plastic kratten en stapels zaaghout vormen vage silhouetten. Het ruikt naar oude mest en vochtig hout.

Dan hoort hij het. Schrille kreetjes, onbeholpen maar toch melodieus. Het geluid komt van onder de hoge stapel latten in de verste hoek van de schuur. Zo zacht als hij kan sluipt hij naar het hout. De zachte kreetjes worden duidelijker, dringender. Als Tommy bij de latten staat moet hij zijn hoofd in zijn nek leggen om te zien hoe hoog de stapel is. Hij is hoog, hoger nog dan zijn vader en die is volgens zijn moeder zo lang als een boom.
De geluidjes stoppen even als zijn voetzolen hoorbaar over de betonnen vloer schuiven, maar gaan al snel weer verder. Ze komen onder de houtstapel vandaan, of misschien er achter. Hoe langer hij luistert, hoe zekerder hij ervan is dat de kleintjes achter het hout zitten. Hij loopt langs de stapel heen en weer. Aan twee kanten ligt het hout tegen de wanden van de schuur. Er is geen weg omheen. Hij gaat op zijn hurken zitten. ‘Poes, poes, poes! Kom maar!’ De kreetjes stoppen weer even, en gaan dan verder. In Tommy’s oren klinken ze vragend, wanhopig. ‘Voed ons, red ons, neem ons mee’.
Hij kijkt weer langs de stapel omhoog. De lukraak opgestapelde latten vormen een hoekig oppervlak. Ze doen hem denken aan een trap, hoog en steil, maar toch een trap. Hij steekt zijn hand uit en trekt aan een van de latten. Die ligt muurvast.

Hij schudt zijn jack van zich af, zoekt houvast met beide handen en begint te klimmen. Het hout is ruw onder zijn handen. Hij voelt kleine splinters door zijn huid gaan, zijn handpalmen prikken en branden. Niet op letten nu. De rubberen zolen van zijn sandalen vinden gemakkelijk houvast. Hij klimt hoger en hoger. Dit is gemakkelijk, denkt hij. Nog even, poesjes, dan ben ik bij jullie.
Dan verschuift iets onder hem. Zijn voet zakt opzij, glipt van de lat en schiet uit tegen de lat daaronder. Die kraakt, beweegt, begint te vallen. Hij ziet zijn handen steeds verder uit elkaar gaan als de berg hout steeds sneller alle samenhang verliest. Met een donderend geraas stort de stapel in en begraaft Tommy onder meters splinterend zaaghout.

Hij droomt. In zijn droom ligt hij lui op de bank, een Action Man in de ene hand en een plastic motorfiets in de andere. De gangdeur zwaait open en zijn moeder komt binnen, torsend met een onmogelijk grote kartonnen doos. Uit de doos komen benauwde geluidjes. Miauwen, schril en piepend. Hij ziet dat de doos hermetisch is gesloten met dikke lagen bruine tape. ‘Mama, de katjes stikken!’, roept hij uit. Hij wil opstaan, maar zijn moeder glimlacht. ‘Welnee, schat’, zegt ze. ‘Dat vinden ze juist fijn.’ Ze tilt de doos omhoog en zet hem met een zwaai op zijn buik. Hij probeert hem weg te duwen. Er komt geen beweging in. De druk op zijn buik neemt toe, begint pijnlijk te worden, hij krijgt geen adem, raspend gaat de lucht naar binnen en naar buiten. ‘Haal hem eraf, haal hem eraf!’

Zijn ogen vliegen open. Er is geen doos, geen moeder. Hij ligt plat op zijn rug in het donker. De druk op zijn buik is er nog steeds. Hij wil opstaan, maar zijn armen en benen zitten vast. Hij trappelt met zijn voeten, probeert zijn armen los te trekken. Zijn schouders en heupen bewegen, verder niets. Boven hem klinkt een schurend geluid en de druk op zijn buik neemt nog verder toe. Stof en zaagsel dwarrelen in zijn gezicht. Kuchend draait hij zijn hoofd weg, een paar centimeter maar, tot hij een splinterige houtrand in zijn wang voelt prikken. In paniek begint hij te worstelen om los te komen. Het enige resultaat is dat de stekende pijn in zijn buik toeneemt tot ondraaglijke hoogte. Tevergeefs probeert hij zijn knieën op te trekken. Als de pijn wat zakt voelt hij dat zijn wangen nat zijn. En niet alleen zijn wangen. Het is koud in de schuur en zijn kleren voelen doorweekt aan. Hij begint te rillen.

Een onbestemde tijd later neemt het zwart om hem heen af. Grauw licht schijnt door de spleten tussen de latten waaronder hij ligt begraven. Het zijn er niet veel, smal en ver uit elkaar. Niemand zal hem er doorheen kunnen zien.
Tommy’s keel doet pijn. Hij heeft uren liggen schreeuwen om hulp, maar hij wist dat er niemand zou zijn om het te horen. De schuur ligt midden in een weiland. Honderden meters van het woonhuis van de boer en nog veel verder van zijn eigen huis aan de rand van de stad.
Hij heeft dorst. Zijn moeder is nu misschien zoete koffie en brood met kaas en tomaat aan het maken, haar lievelingsontbijt. Dan dringt het tot hem door dat zijn moeder vast geen ontbijtje staat te smeren als haar kind zoek is. Misschien ligt ze wel op de bank te huilen. Misschien zijn zijn vader en moeder wel de hele nacht opgebleven om hem te zoeken. Een snik ontsnapt hem maar zijn ogen blijven droog. Hij heeft geen water meer voor tranen. Hij hoopt dat ze hem niet heel snel vergeten en dat ze zijn Action Man verzameling niet weggeven aan zijn kleine neefje. Bij de gedachte zwelt zijn keel op. Hij slikt moeizaam.

De pijn in zijn buik is weg. Hij voelt helemaal niets meer, geen pijn, geen kou, geen honger. Alleen dorst. Hij zakt weg in een halfslaap, schrikt wakker, zakt weer weg. Het is moeilijk om wakker te blijven en nog moeilijker om na te denken.
Hij vangt een geluid op. Gekrabbel, het scherpe geluid van nagels op hout. Een mager silhouet verschijnt aan de rand van zijn gezichtsveld. Twee ronde ogen weerkaatsen felgroen het licht, dan draait de kat haar kop en de spookachtige reflectie verdwijnt.
Tommy houdt zijn adem in. ‘Poes?’ Zijn stem is schor, bijna onhoorbaar, maar de lapjeskat duikt in elkaar in een schrikreflex. Na een paar seconden ontspant ze. Met sierlijke doelmatigheid weeft ze zich door de wirwar van houten latten. Hij ziet haar kleine roze neus bewegen als ze zich strekt om naast zijn heup aan de grond te ruiken. Als ze zich weer opricht zit er een donkere vlek op haar neus.
Ze gaat zitten, opent haar bekje en miauwt. Piepende kreetjes klinken ten antwoord. Een voor een verschijnen haar kittens. Heel wat minder sierlijk, met onhandige sprongetjes en schuifelpasjes wurmen ze zich door het hout. Het zijn er vijf of zes, allemaal mooi, met lapjes, strepen en grote witte vlekken. Er zit zelfs een kleintje bij dat helemaal zwart is, Tommy kan hem alleen zien door de weerschijn van zijn oogjes.
Hij vergeet waar hij is en begint in zijn hoofd de katjes te verdelen. Die rode voor Mark – het mocht van zijn moeder, de lapjes en het streepje voor oma, de buurvrouw wou er ook wel eentje, en die zwarte zou hij zelf houden. Hij neemt hem gewoon mee naar huis en dan vindt zijn moeder het vast wel goed. Dan realiseert hij zich dat hij misschien niet thuiskomt. De boer zal de kleintjes vinden en ze verdrinken, precies zoals hij had gedreigd, en zijn ouders zullen hém ook niet vinden. Nu verschijnen er toch nog tranen, ze lopen langs zijn wangen omlaag.

De kittens nemen hem vol interesse op en kijken dan naar hun moeder. Die wendt haar kop naar Tommy en knijpt haar ogen even dicht. Lief, denkt hij. Ze ziet dat ik huil, ze wil me troosten. Dankbaar knippert hij terug naar de moederpoes. Dan komt ze overeind, bereikt zijn lichaam met een paar ontspannen stappen en buigt haar kop. De kittens scharrelen haastig achter haar aan. Tommy kan ze daar niet goed zien, maar voelt hun pootjes op zijn benen en heupen, voelt hoe ze hun nageltjes in zijn huid zetten om tegen zijn borst op te klimmen. Dan, in één felle explosie, is de pijn terug. Als hij schreeuwt en schreeuwt, schrikken de katten op. Al snel beseffen ze dat het kabaal geen dreiging voor ze is. Ze hurken en gaan rustig verder met hun maaltijd van half opgedroogd bloed op de rafelige wanden van zijn buikwond.

Tommy is zich niet bewust van de boer, die uren later de schuur binnenkomt, mopperend de ingestorte houtstapel opneemt en dan met een schok een kindersandaal tussen de latten ontdekt. Evenmin merkt hij het  koortsachtige wegruimen van het hout op, het ambulancepersoneel dat hem op een brancard tilt of de eerste uren in het ziekenhuis, waar de artsen hun uiterste best doen zijn leven te redden.

Vele weken later ligt hij thuis op de bank. Hij kan niet goed bewegen. Een van zijn benen is stijf en zijn rechterarm is geslonken en verzwakt door het dragen van gips. Om zijn buik heeft hij nog steeds een stevig verband. Hij strekt zijn arm en laat Action Man heldhaftig tegen de rugleuning opklimmen.
Dan hoort hij de sleutel in het slot draaien. Zijn moeders stem in de gang: ‘Hallo! Ik ben thuis!’  De gangdeur klapt open en zijn moeder komt binnen. In haar handen draagt ze een doos, niet van karton maar van blauw plastic, met een handvat aan de bovenkant en een hekje aan de zijkant. Achter de tralies reflecteren twee ogen felgroen het licht.
Zijn moeder glimlacht verwachtingsvol. ‘Kijk eens, schat.’ Ze zet de doos naast hem op de bank en peutert het hekje open. Een lapjespoes steekt haar kop uit de doos en kijkt hem strak aan.
‘Voor jou! zegt zijn moeder. ‘Papa en ik wisten hoe graag je een eigen katje wou. Daarom ben je toen toch naar die schuur gegaan, je had het er steeds over. Kijk eens, is ze niet lief? Tommy? Hee, Tommy, wat is er? Schreeuw niet zo! Tommy!’

Verhaal: Vereeuwigd in Olieverf

‘Vereeuwigd in olieverf, mooier kan het toch niet?’ De slotzin van mijn standaard verkooppraatje. Mijn stem klinkt cynisch, bijna sarcastisch. Soms verbaast het me hoe klanten met wijdopen ogen die lulkoek kunnen aanhoren en daarna vijfhonderd euro neerleggen voor een geschilderd portret. Meestal verbaast niets me meer. Ik zwaai met mijn penselen en zij betalen, zo gaat het.

De man tegenover me heeft zich voorgesteld als Ramon Smit. Hij zit in de oudste en smerigste stoel in mijn atelier, een plaats die ik speciaal voor klanten reserveer. Tijdens ons hele gesprek heeft hij onafgebroken enthousiast zitten knikken. Ik wil een pot primer naar zijn hoofd gooien. De doffe klap, de deuk in zijn voorhoofd, zijn ogen die vol tranen schieten, zijn geschokte schreeuw.
Als zijn stem halverwege een zin blijft steken besef ik dat ik hem al een paar minuten met toegeknepen ogen aanstaar. Snel overpraat ik mijn faux pas: ‘U lijkt wel wat op een schilderij dat El Greco ooit gemaakt heeft.’
Bij zijn verwarde blik verduidelijk ik: ‘Donker haar, donkere ogen, klassiek profiel. Het wordt een mooi portret.’ Hij gaat wat meer rechtop zitten. Er verschijnen blosjes op zijn wangen en hij knikt opnieuw, duidelijk gevleid. De sukkel. Hij hoeft niet te weten dat veel doeken van El Greco gekenmerkt worden door afbeeldingen van verwrongen, gemarteld kijkende mensen.
Zelfs El Greco bepaalde niet zelf wat hij schilderde. Ook hij danste naar de pijpen van opdrachtgevers. Ik verlies me in fantasieën over de doeken die ik zou creëren als ik de vrije hand had, als ik maar geen broodschilder hoefde te zijn om te kunnen leven, als ik maar niet dagelijks met het domme koopvee hoefde te onderhandelen om wat inkomen te genereren.

‘Jonas? Kan ik nog wat van uw werk zien?’ Ik schrik op. Ramon Smit gebaart naar de schilderijen die links en rechts tegen de muren en op ezels staan. Zijn lichtgroene overhemd kreukt in de elleboogplooien. Op de mouwen zitten al vlekken van de armleuningen van mijn oude leunstoel.
Ik glimlach en sta op. ‘Natuurlijk, kom maar.’ Hij komt overeind zonder iets om te gooien, maar in mijn geestesoog zie ik hem struikelen over de denkbeeldige pot primer en zijn ribben breken tegen de punt van mijn tekentafel.
Hij buigt zich over een portret van een klein meisje. Het kind heeft een teddybeer tegen haar borst gedrukt. Ik probeer zijn ogen te volgen, zijn blik te bepalen. Ziet hij de gevaarlijke, gefrustreerde glans in de kraalogen van het geschilderde knuffelbeest?
Natuurlijk niet. Hij glimlacht vertederd. ‘Wat een prachtige, levensechte kleuren. Heeft u kobaltblauw of cerulean blauw voor haar ogen gebruikt?’ In een doorzichtige poging zowel op te scheppen als bescheiden te klinken voegt hij eraan toe ‘Ik heb ook wel eens wat geschilderd, toen ik nog jong was. Lang niet zo goed als u, natuurlijk.’
Alleen door me in te denken wat de kleine tandjes van die teddybeer met zijn opgeblazen gezicht zouden kunnen doen, lukt het me hoffelijk te antwoorden. ‘Een kunstkenner van nature, ik hoor het al.’
Ik blaas een pluisje weg van de rand van het doek. ‘Volgende week haalt haar oma het doek op, het moet nog even drogen.’ Een vette kletskous met eindeloze verhalen over het getormenteerde leven van haar dochter, die ondanks alles toch nog zo’n lieve moeder voor het kleinkind blijft. Ik zie er nu al tegenop.

Ramon is alweer doorgelopen naar het volgende schilderij. Het is nog niet helemaal af. Een gepermanent type huisvrouw met een zwart jaren-50 montuur op haar neus, gedempte kleuren. De sepiatinten van de oude foto die ik van haar echtgenoot moest gebruiken staan me nog levendig bij. Hoe die zak van een vent juist met zo’n belegen foto aan kon komen zetten is me nog steeds een raadsel. Ze was toen op haar mooist, had hij snikkend verteld. Hij wilde haar zó uit laten schilderen en niet anders.
Op dit doek heeft Ramon geen commentaar. Onverwachts draait hij zich naar me om. ‘Ik volg u al een tijdje, weet u.’
‘O?’
‘Ja. Weet u wat me vooral opviel?’
‘Geen idee.’
‘Uw klanten.’
Dit komt aan. ‘Klanten, zei u?’
‘Ja. U weet wel waar ik het over heb, nietwaar?’
Ik blijf neutraal. ‘Natuurlijk. Klanten. Zij betalen me, ik schilder voor ze. Iedereen blij.’
Ramon is dichterbij gekomen. Zijn blik priemt. Ik voel hoofdpijn opkomen. Hij vervolgt: ‘Kunt u zich de familie Scholten herinneren? Vader, moeder, gehandicapte dochter?’
‘Niet echt.’
‘Natuurlijk wel. U heeft ze een paar jaar geleden uitgeschilderd.’
‘Mmm, ja, nu u het zegt.’
‘U weet vast ook wel dat hun huis drie maanden daarna is afgebrand en dat ze allemaal zijn omgekomen?’
Ik open mijn mond, maar hij is me voor: ‘Dat schilderij had flink wat brandschade. Ik heb het tussen het puin zien liggen.’
Hij kijkt me afwachtend aan. Ik heb geen antwoord voor hem.
‘Daarna de oude dame Van Dorp. Een goed gelukt portret, vond ik. Heel flatteus, al beviel die rode achtergrond me niet. Jammer dat ze er maar een maand van heeft kunnen genieten voor ze verdronk in haar badkuip.’
‘Badkuip?’ Mijn stem klinkt zwak, piepend. Ik schraap mijn keel.
‘En dat jonge echtpaar, hoe heten ze ook alweer… Bart en Marije Heemskerk. Overvallen en neergeschoten, toch? Hun portret is met het grof vuil meegegaan.’

Ik doe een paar stappen achteruit en steek mijn kin omhoog. Ik zal mijn huid duur verkopen. ‘Oké, waar blijft je penning? Politie, toch? Kom op, arresteer me maar. Allemaal toeval, ik weet van niets. Kijk maar of je iets kunt bewijzen.’
Zijn ogen worden groot. Hij staart me aan. Ik zet me schrap voor een confrontatie. Dan barst hij in lachen uit. Het duurt wel een minuut voor hij weer op adem komt. Hijgend en kuchend veegt hij de tranen uit zijn ogen.
‘Politie? Ben je gek? Wie denk je dat die mensen heeft vermoord?’
Elk spoor van een lach is nu van zijn gezicht verdwenen. Hij beweegt naar me toe met een vreemde, schuine gang.
‘Jouw schilderijen zijn walgelijk. Slecht, in en in slecht. Duivels. Net als jijzelf. Die lui waren bezoedeld door je werk, ze konden niet blijven leven.’ Hij draait zijn lichaam naar me toe. In zijn hand houdt hij een lang penseel. Mijn blik blijft steken bij de lichter gekleurde, gevijlde punt.
Ik deins verder terug tot ik iets hoekigs in mijn rug voel. Een snelle blik naar achteren. Het rek met de voorraad primerpotten.
Als ik mijn hoofd terugdraai staat Ramon bijna tegen me aan. Zijn warme koffie-adem golft vochtig over mijn wang. Zijn mond is open; hij glimlacht breed, blij, een man met een missie die bijna voltooid is.
‘Geen schilderijen meer, Jonas. Nooit meer.’

Verhaal: Ellie en de bril

Als ze haar ogen half dichtknijpt wordt het televisiebeeld iets scherper.  Die man met het blonde haar is Nick, de nieuwe man van Brooke, ze is er bijna zeker van. Of is Brooke alweer terug bij Ridge, ze hóórt bij hem, dat moet ze toch begrijpen na al die jaren. Ellie zucht. Alles is zo moeilijk sinds ze haar bril kwijt is. Ze weet echt niet meer wat er allemaal gebeurt in The Bold and the Beautiful. De karakters op het scherm bewegen in een waas om elkaar heen.

Ze draait haar hoofd naar links, kreunt zachtjes als de artritis scherpe nagels in haar nek zet. Het bijzettafeltje is leeg, geen bril te bekennen. Aan haar rechterkant ligt hij niet, dat weet ze, daar is alleen de rugleuning van de bank waar ze languit op ligt.

De hulp komt over twee dagen, maar die zal misschien niet helpen zoeken. Ida zegt altijd dat ze geen tijd heeft voor extraatjes, zo noemt ze dat. Dan blijft ze te lang en wordt haar baas boos. Ze gebruikt andere woorden, maar volgens Ellie is het gewoon zo dat haar baas boos wordt. Als Ida zoiets zegt glimlacht ze maar zo’n beetje en antwoordt dat Ida natuurlijk nog meer oude mensen moet verzorgen. Ze blijft alleen achter als Ida de deur achter zich dicht trekt.

Ze kijkt naar de telefoon. Zal ze Ralf bellen? Hij woont niet zo ver weg, met de tram is het maar een half uurtje. Hij heeft trouwens een auto. Iedereen heeft tegenwoordig een auto, lijkt het wel. Onzinnig, vroeger pakte je gewoon de tram of de fiets en je kwam overal. Ze steekt haar hand uit. Haar beverige vingers lijken te verdwalen in de ruimte boven de bijzettafel, maar het lukt haar na een poosje toch de hoorn van de haak te pakken. Ze hoeft geen heel telefoonnummer in te toetsen; als ze op de knop drukt met het stekelige vormpje en dan op de knop met het cijfer 3 moet ze vanzelf Ralf aan de lijn krijgen.

De telefoon gaat een paar keer over. De stem van haar schoondochter klinkt aan de andere kant. Ellie begint meteen te praten: ‘Hallo, Ria? Is Ralf daar ook? Kun je hem sturen, ik ben mijn…’  Ria’s stem kabbelt door of ze Ellie niet hoort en plots klinkt er een zachte pieptoon. Ellie kijkt naar de hoorn. Dat was het antwoordapparaat, beseft ze. Ze moet nu snel iets zeggen. ‘Ria? Ralf? Als jullie dit horen, kan er dan iemand komen zoeken naar mijn bril? Dag, hoor.’ Ze legt de hoorn neer.
Een ansichtkaart naast de telefoon trekt haar aandacht. Ze kan de woorden niet lezen, maar de felblauwe zee op de voorkant is onmiskenbaar. Ineens herinnert ze zich dat Ralf op vakantie is. Hij zal niet komen helpen. Misschien Maartje… Nee, die hoeft ze niet te proberen. Die komt niet eens met Moederdag over.

Ze kijkt opnieuw naar de bijzettafel. De telefoon, de ansichtkaart, de afstandsbediening, een folder van het verzorgingshuis waar ze op de wachtlijst staat. Verder niets. Haar maag roert zich, een bijna onmerkbaar ongemak. Wanneer heeft ze voor het laatst gegeten? Of gedronken? Ze weet het niet meer. Het is zoveel moeite om op te staan van de bank. Laat ook maar, ze kan beter niet teveel eten en vooral niet drinken. Dan moet ze weer naar de wc. Beter om rustig op de bank te blijven liggen.
Ze kijkt weer naar The Bold en the Beautiful. Ridge staat op het punt om Brooke te kussen. Als het Ridge tenminste is, ze is er nog steeds niet zeker van. Het is ook niet zo belangrijk, er komt morgen een herhaling. Misschien moet ze maar even dutten. Ze is zo ontzettend moe. Haar oogleden zakken alsmaar dicht.

Ellies hand valt langs de bank naar beneden. Ze merkt niet dat haar gezwollen vingers blijven rusten op de poot van een goudkleurige bril, die onder de bank op de grond ligt. De hulp die zichzelf twee dagen later binnenlaat, merkt de bril ook niet op. Hij blijft liggen als een ambulance Ellie meeneemt naar het ziekenhuis.

Ralf is eerder teruggekomen van vakantie en Maartje is overgekomen vanuit Limburg, maar geen van beiden hebben ze tijd om na de crematie de flat van hun moeder leeg te halen. Het is een opkoper die uiteindelijk Ellie’s bril van het tapijt oppakt. Na een snelle blik op het ouderwetse montuur gooit hij de bril met een zwaai in de vuilniscontainer. ‘Oud ding’, bromt hij in zichzelf. ‘Nergens meer goed voor’.

Roze kralen

‘Wat vind jij, de zwarte of de grijze? Of juist die rode om een statement te maken?’ Carina likt aan haar wijsvinger en poetst een vlekje van de bloedrode hakken van haar Louboutins. De rode pumps staan op de favorietenplank van haar inloopkast, tussen lage D&G laarsjes met een ingebrand patroon van kleine kroontjes en hooggehakte Romeinse sandalen van slangenleer.
Rombout reageert niet. Ze hoort hem in de badkamer rommelen. Geritsel van het gevlochten mandje waarin hij zijn vierbladige scheermesje bewaart en de flacon vochtinbrengende after-shave emulsie.

‘Rombout?’ Geen antwoord. Ze versmalt haar ogen, pakt een paar goedkope stilettohakken van de onderste plank en loopt naar de badkamer. Door de half open deur ziet ze de beslagen spiegel boven de wastafel. Haar man staat zo dichtbij zijn spiegelbeeld dat zijn neus het glas bijna raakt. Hij is naakt op zijn Calvin Klein boxershorts na. Zijn gebruinde huid glanst. Hij masseert een kleurloze gel in de huid onder zijn ogen. Op de wastafel staat haar potje eye contour gel, het deksel ligt ernaast.

Carina beschrijft een volle cirkel met haar rechterarm zoals haar vader het haar vroeger heeft geleerd en slingert de pumps bovenhands de badkamer in. Eén landt zonder schade aan te richten op een donzige handdoek, de ander raakt met een bevredigende klap zijn gladde bovenbeen. Met een scherpe kreet draait hij zich om, maar hij valt stil als hij Carina’s gezicht ziet.
‘Ik zei: de zwarte of de grijze? Of de rode?’ Ze houdt haar ogen strak en zonder te knipperen op de zijne gericht.
Hij wendt zich terug naar de wastafel. ‘Ik weet het niet, misschien die zwarte maar’, mompelt hij. Hij draait het deksel op het potje, werpt haar een snelle blik toe via de spiegel en neemt het potje af met zijn handdoek voor hij het terugzet op de plank. Op zijn been zit een lange donkerroze kras.
Ze glimlacht. ‘Idioot. Schiet nou maar op. Ik kom door jou niet te laat op de begrafenis van mijn eigen oma’. De pumps laat ze liggen.

Ze zit op bed. De boxspring matras is zo hoog dat zelfs met de Louboutins aan, haar voeten niet bij de grond komen. Ze kijkt weg van haar benen die zo kinderlijk bungelend over de rand hangen. Op het nachtblauwe satijn van de sprei ligt een ketting, roze kralen met bewerkte schakeltjes ertussen. Het snoer is zo lang dat de schakels en kralen samen een bergje vormen. Ze roert erdoor met haar wijsvinger. Het maakt een ratelend geluid. Uit de bewegende lussen stijgt een schimmelige lucht op.

‘Carina?’ Rombout loopt naar het bed. Hij draagt een antracietgrijs pak van Hugo Boss dat zijn slanke middel en vierkante schouders accentueert. Eronder het zwarte overhemd dat ze voor hem had klaargelegd. Een perfecte combinatie, een toonbeeld van mannelijke schoonheid.
‘Als je wilt gaan, ik ben klaar hoor’. Hij strekt zijn hand naar haar uit, aarzelt, trekt hem terug.
Ze laat het passeren. ‘Kijk’, ze houdt een lus van de ketting omhoog, ‘dit was mijn oma’s lievelingsketting. Ze had het stomme ding altijd om’.
Ze voelt meer dan dat ze ziet hoe Rombout zoekt naar de juiste reactie. ‘Mooi,’ waagt hij uiteindelijk.
Carina staart hem aan. ‘Je hebt toch ogen in je hoofd, of niet? ’t Is een plastic geval, niks waard. En het ruikt vies. Ze maakte d’r flatje allang niet meer goed schoon, die lucht zit in al haar spullen. Het is trouwens toch allemaal troep, ik heb het grof vuil al gebeld. Dit gooi ik ook weg’.
Ze laat de ketting vallen en staat abrupt op van het bed. Rombout doet haastig een stap naar achteren. Ze wuift hem opzij als ze langs hem naar de deur loopt. ‘Je bent wel echt een stoere pik, hè?’ Zonder antwoord te geven volgt hij haar de kamer uit.

Snelle voetstappen in de gang. Licht hijgend komt Carina terug de slaapkamer in. Ze pakt de ketting van de sprei, buigt haar hoofd en drukt hem tegen haar wang. Na een tijdje kijkt ze op. Met trillende handen hangt ze de ketting om haar nek. De roze kralen en schakeltjes komen tot op haar middel. In de spiegel naast het bed zien haar ogen er groot en kwetsbaar uit. Ze knijpt ze even stijf dicht, haalt diep adem en haast zich naar de overloop.
Rombout wacht bij de trap. Als hij Carina ziet haalt hij de autosleutels uit de zak van zijn pantalon. Hij beweegt wat opzij om haar te laten passeren. Dan ziet hij de lange ketting die tegen haar borsten danst. ‘Hee, heb je ‘m toch omgedaan? Je zou dat ding toch weggooien?’ Hij tikt zachtjes tegen een grote kraal.

Carina ziet zijn hand dichterbij komen, zijn gemanicuurde vinger met donkerblonde haartjes die de ketting van haar grootmoeder aanraakt. Ze ontwijkt hem met een onbeheerste draai. Onder haar rechtervoet breekt de hak van de Louboutin af. Een vochtig ploppend geluid, alsof de schoen een ledemaat kwijtraakt. Haar enkel buigt door, haar knie volgt, haar heup en dan haar hele lichaam. In stilte valt ze van de trap, met zwaaiende armen en een opengesperde mond.
Pas als ze de grond raakt klinkt geluid; de inslag van haar lichaam, het kraken van de houten vloer, een kletterende regenbui van lichtroze kralen die haar de trap af volgen.

Op de overloop staat Rombout, een mooie man in een Hugo Bosspak. Zijn mond hangt open. Aan zijn uitgestrekte wijsvinger bungelt een eindje ketting met een enkele grote kraal.