Tagarchief: kinderen

Verhaal: we kunnen ervan eten

De voeten van Michels moeder stonden geen moment stil. Ze tikte met haar hakken op de grond, wiebelde met haar enkels en strekte haar kuiten, zodat Michel haastig moest wegschuiven om haar puntige schoenen niet in zijn gezicht te krijgen. Zijn zitvlak schoof daarbij hoorbaar over de vloer en hij hield geschrokken zijn adem in, maar de volwassenen rond de eettafel praatten ongestoord verder.

Michel zat al lang onder de grote tafel in de eetkamer van zijn huis.  Zijn ouders en grootouders hadden al die tijd zitten eten. Hij wist niet dat grote mensen zo lang konden doorgaan met eten. Zo af en toe was zijn moeder opgestaan en hoorde hij de heldere geluiden van borden en bestek dat opgestapeld werd. Steeds kwam ze al snel terug met nieuw voedsel. Hij hield zich muisstil, zodat ze hem niet zou horen of zien. Dan het bonken van een nieuwe schaal op tafel, het schrapen van een opscheplepel en de koerende lofprijzingen van oma Marjon: ‘O God wat is dit heerlijk, wat kan jij toch goed koken, Gemma’. En opa Willem: ‘Hou toch op, jij vindt alles lekker’.  Het was even stil rond de tafel en Michel verstarde. Toen een tinkelend lachje van zijn moeder, waarna zijn vader inviel met zijn warme, hartelijke schaterlach. Oma Kokkie en Opa Jan deden mee en een paar tellen lang was de kamer gevuld met vrolijke geluiden.
Michel herademde. Hij draaide zich op zijn rug. Het tafelblad vormde een reusachtig donker vlak boven hem. Zijn ouders en vier grootouders bezetten maar de helft van het aantal stoelen. Een glanzend donkergroen tafellaken hing tot halverwege hun kuiten.   Nu en dan viel een doperwtje op de grond, of wat kruimels van het gesneden stokbrood. Brokjes en stukjes van het gesprek bereikten hem ook, maar die waren niet wat hij ervan verwacht had. Ze hadden het over het weer, over mensen die dood waren gegaan en over de nieuwe koelbus.
Michel vroeg zich af wanneer ze de geheimen nu eindelijk zouden bespreken. Volwassenen hadden het altijd over geheimen als kinderen er niet bij waren, dat wist iedereen. Daarom hielden ouders soms plotseling op met praten als hun kinderen binnenkwamen.  Hij geeuwde, geluidloos met zijn hand voor zijn mond.

Plotseling hoorde hij zijn naam. Wat was dat? Hij probeerde zijn oren te spitsen. Hij voelde de spieren in zijn hoofdhuid trekken maar geloofde niet dat zijn oren echt spits werden. Het hielp ook niet om beter te horen.

‘…begint eindelijk aan te spekken’, zei zijn moeder. ‘Binnenkort kunnen we er lekker van eten’.  Opa Willem viel in: ‘Hoor je dat, Marjon? Eten, dat kun je wel, hè!’
Dit keer geen gelach. ‘Nou weten we het wel, Willem.’ Opa Jan klonk geïrriteerd.  ‘Wat zei je, Gemma? Breken de vette jaren eindelijk aan? Werd tijd ook, na al dat werk dat jullie erin hebben gestoken.’
Mama lachte, weer dat kristalheldere lachje. Michel hoorde haar niet vaak lachen. Ze glimlachte soms, als hij zijn speelgoed opruimde of als hij zijn bord leegat. Vooral dat laatste vond ze belangrijk. Hij keek naar zijn buik, die mollig en roze boven zijn pyjamabroek opbolde.

‘Vergeet niet dat we het met heel veel liefde hebben gedaan’,  zei ze. ‘Het was onze droom en we hebben er veel voor gelaten. Na die snelle groei van het afgelopen jaar zijn we eindelijk in staat ervan te eten. Daar deden we het voor, ja toch Rob?’
Michel draaide zich terug op zijn buik. Pas geleden had zijn vader net zoiets tegen hem gezegd: ‘Ongelooflijk hoe jij deze zomer gegroeid bent’. Hij had gelachen en hem een klopje op zijn hoofd gegeven. Daarna was hij naar de keuken gegaan en had vanuit de deuropening een muffin naar hem toegegooid. Michel had hem met een sprongetje uit de lucht gegrist.

‘Ik vind dat jullie het hem eerst moeten vertellen.’ Dat was Oma Kokkie. ‘Het is toch niet eerlijk voor dat joch als jullie dit gaan doen zonder dat hij het van te voren weet?’
‘Nee Ma, dan wordt hij alleen maar bang.’ De diepe stem van papa. ‘Nergens voor nodig. Het is snel genoeg achter de rug.’
‘Maar hoe kun je hem nou niet voorbereiden? Dat is toch zielig!’
Zijn moeder kwam tussenbeide. ‘Lieverd, we waarderen het dat je je zorgen over Michel maakt maar we  hebben er echt goed over nagedacht. We willen dat hij het pas kort van te voren hoort. Het is toch al zo’n piekeraar. Laten we hem nou lekker zorgeloos houden zolang het kan.’
Ze klonk geprikkeld, net zoals ’s avonds als hij niet wilde gaan slapen. Gisteravond was hij netjes op tijd in bed gekropen en ze had hem een stevige welterustenkus op allebei zijn wangen gegeven. Wat had ze ook weer gezegd? Lekkere wangetjes, zoiets. Ze kon hem wel opeten, dat was het. Hij had erom gegiecheld.
Oma Kokkie weer: ‘Maar toch’… Papa viel haar in de rede. ‘Ma, we hebben er niet voor niets al die tijd bovenop gezeten. Wat Gemma al zei: we kunnen er nu van eten, en meer dan dat. Eindelijk zit er een vetrandje aan en dat is voor ons. We houden ontzettend veel van Michel, dat weet je, maar het is niet anders.’

De volwassenen schrokken op uit hun gesprek door een eigenaardig jammergeluid van onder de tafel. Gemma’s ogen werden groot toen ze haar achtjarige zoon opgekruld in een foetushouding op de beschaduwde parketvloer zag liggen.  Hij reageerde niet op haar stem of haar aanrakingen. Nadat zijn vader hem, onhandig in zijn verstarde houding, had opgepakt en naar bed gebracht, bloedde de conversatie al snel dood. Van boven hoorden ze zijn zware voetstappen, het openzwaaien van Michels slaapkamerdeur en daar tussendoor nog steeds het woordloze gejammer.
Haar ouders en schoonouders bleven niet voor de koffie. Oma Kokkie hield haar blik afgewend, knikte stroef in haar richting en liep naar buiten, haar tas in haar magere handen geklemd. Gemma nam afscheid van de anderen en ruimde daarna de tafel op. De jaarrekening van hun cateringbedrijf die ze vol trots hadden laten zien legde ze aan de kant, met daarbovenop de folders van de wintersportvakantie die zij en Rob hadden geboekt. Hun allereerste vakantie zonder Michel.

Advertenties

Schaatsverhaal in bundel 50 jaar Groeistad Zoetermeer

Mijn verhaal ‘Schaatsen op de Schinkel’ is opgenomen in de verhalenbundel ‘50 jaar Groeistad Zoetermeer’, dit naar aanleiding van de gelijkluidende schrijfwedstrijd. Volgens het jurycommentaar behoorde het verhaal tot de drie literair sterkste inzendingen. “Goed geschreven in heldere taal en met sprekende beelden voor de lezer”, aldus de jury. “Echt een stukje proza en favoriet bij een van de juryleden”.
Het verhaal was niet Zoetermeer-specifiek genoeg om met een prijs naar huis te gaan, maar omdat het zo prachtig was geschreven is het toch geselecteerd voor de bundel, volgens het  jurycommentaar. Prijs of geen prijs, dat was erg leuk om te horen.

Verhaal: Schaatsen op de Schinkel

Mijn schaatsen bungelen aan mijn hand. Ik loop zo snel dat ze heen en weer zwaaien. De  punten van de ijzers prikken bij iedere zwaai in mijn bovenbeen. Als de beschermers er nog omheen hadden gezeten was dat niet zo pijnlijk geweest, maar die draag ik in mijn andere hand. Ik stop niet om ze vast te maken, daar heb ik geen tijd voor. Ik ga schaatsen!

De Schinkel is stijfbevroren. De brede sloot krioelt van kinderen in felgekleurde jacks en volwassenen met wollen sjaals. We wonen hier nog niet zo lang en ik ken niemand. Ik ga zitten op de kant, trek mijn oude leren schoenen uit en probeer mijn voeten in de schaatsen te krijgen. Het lukt niet, de veters zitten nog helemaal strak. Terwijl ik veter voor veter lostrek voel ik de eerste steken van de vrieskou in mijn tenen. Snel nou, los met die dingen.
De kunstschaatsen zijn tweedehands maar bijna nieuw,  het leer is nog stug en mooi wit. Eindelijk lukt het me mijn voeten erin te wurmen. Ik rijg en strik de onhandig lange veters, denk aan de instructies van mijn moeder – ‘goed strak, Cat!’, maak ze los en strik ze opnieuw.
Dan sta ik wankelend op. Ik kijk naar de andere schaatsers,  vooral naar de voeten van de meisjes en hun moeders. Sommige meisjes dragen schaatsen die zo vergeeld zijn dat ze beige lijken. Ik heb een vergenoegd soort medelijden met ze.

Ik zet af en zwier over het ijs, mijn armen een beetje gespreid. De twee staarten in mijn haar wapperen in de wind. Ik schaats in bochten om de kleine kinderen met hun glij-ijzertjes, bewonder een ouder paar dat sierlijk in de pas schaatst en zie dan een leeg stuk ijs. Als ik me buk en hard afzet op het ijs schiet ik vooruit. Aan de ene oever flitst het stadsparkje achter de Wolfertstraat voorbij, aan de andere oever de Schinkelweg.
Dan blijft mijn schaats steken op een dikke rietstengel. Ik schiet met de andere voet ver door, land op mijn rug en het volgende moment voel ik ijskoud water onder mijn kuit. Ik probeer op handen en billen terug te krabbelen, maar het ijs is te glad en ik glijd door naar een wak tussen het riet.
Kleine handen grijpen mijn arm en trekken me terug. Ik kijk om, in de ogen van een meisje van een jaar of acht, mijn eigen leeftijd. Ze glimlacht breed. Haar spierwitte tanden en grote bos zwarte krullen vallen me op. ‘Bedankt’, hijg ik, ‘ik schrok me rot’.
‘Graag gedaan! Heb je pijn?’ Als ik nee schud, draait ze zich om en schaatst in een half rondje om me heen. Haar schaatsen zijn  bruin verkleurd en gescheurd, maar ze is wel snel.
Aan de kant staat een ander meisje strak naar haar te kijken. Ze draagt geen schaatsen, maar rode suède laarsjes. ‘Kom nou, Badia!’ roept ze. ‘Het is allang mijn beurt!’ Ze schopt haar laarzen uit en gaat demonstratief op de sneeuw zitten. ‘Mijn beurt’, herhaalt ze, ‘doe ze nou uit.’

Even later zijn de rollen omgedraaid. Badia zit aan de kant en trekt de rode laarzen over haar voeten, het andere meisje rijdt wankele pirouettes op de stokoude schaatsen.
Ik schuifel verlegen naar Badia toe. ‘Hoi’, zeg ik.
‘Hoi, zegt ze terug. We zijn even stil.
‘Wil je delen?’ vraag ik. Ik steek een van mijn voeten uit om aan te geven wat ik bedoel.
‘Delen?’ Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, dan nemen we allebei één schaats. Leuk joh, dan kan je met je andere voet afzetten op het ijs.’
Haar gezicht klaart op. ‘Ja, goed!’
Als ik naast haar neerplof en de strakke veters van mijn rechterschaats lospeuter, vraagt ze mijn naam. ‘Cat’, zeg ik.
‘Ik heet Badia. Hier, geef maar.’ Mijn rechterschaats wisselt van eigenaar en de rode laarzen gaan aan onze kousenvoeten.  We komen overeind, wiebelen hevig op onze ene schaats, grijpen ons aan elkaar vast en even later hinkelschaatsen we weg.

Na twintig baantjes over de Schinkel kunnen we niet meer.  Badia’s wangen zijn knalrood, ik voel die van mij prikken en gloeien. Fahiha, haar zusje, lacht om ons maar ook zij staat te hijgen op het ijs.
‘Wacht even’, roep ik, en haal mijn leren schoenen op van de overkant. Fahiha is al, zomaar op haar ijzers, de Schinkelweg overgestoken naar een van de smalle, oude huizen die in een rijtje naast elkaar staan.  Badia geeft me mijn andere schaats terug en trekt aan mijn arm. ‘Kom mee naar ons huis, gaan we nana drinken!’
‘Oké!’ antwoord ik, ook al heb ik geen idee wat nana is.
In de kleine hal van hun huis moet ik eerst mijn schoenen uittrekken. Badia loopt me voor naar binnen, verdwijnt in de keuken en komt terug met een paar glazen dampende geelgroene thee. Ik heb nog nooit thee in een glas gezien,  mijn moeder gebruikt altijd gebloemde theekopjes.
De eerste slok van de hete pepermuntthee is een sensatie. Zó zoet en toch zó fris. ‘Lekker!’, roep ik. Badia en Fahiha giechelen. Hun moeder steekt haar hoofd om de keukendeur en glimlacht breed naar me. Een van haar voortanden is glanzend goud. Onder haar geborduurde hoofddoek bungelt een lange donkere vlecht.  ‘Eten?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd. Ze vraagt het nog een paar keer, dringender, gebarend met haar handen. ‘Eten!’
‘Mijn moeder kent niet zoveel Nederlands’, zegt Badia. ‘Ze wil je gewoon een stukje brood geven, wij krijgen ook. ‘ Even later zitten we alle drie met een plat, driehoekig stuk witbrood in onze  handen. Het ruikt zoet en er zit een dikke laag pindakaas op. Met onze tanden scheuren we stukken van de stevige korst.

Als ik een half uur later met een volle buik naar huis ga, hebben we al afgesproken voor morgen. En overmorgen. En ook de dag daarna. Deze winter hoef ik niet meer alleen te schaatsen.

Verhaal: mee met mama

Mieneke staat nog buiten! De maartse bui roffelt tegen de ramen, druppels stromen in riviertjes naar beneden. Hoe kán ze die kleine zijn vergeten! De kap van de kinderwagen zal de regen niet lang tegenhouden. Zo snel ze kan rent Corry naar de achterkant van het huis. Het duurt veel te lang, de gang lijkt eindeloos, dat oude huis is ook zo groot. Ma zei al dat ze nog veel te leren had over het moederschap, en ja hoor, bij de eerste de beste regenbui vergeet ze dat haar baby in de tuin ligt te slapen. Haar eigen lieve meisje. Corry’s keel wordt dik en pijnlijk.

Haar benen trillen van de inspanning. Ze struikelt over de ongelijke tegelvloer en komt met een klap tegen de tuindeur aan. Dwars door de dikke druppels op de ruit ziet ze de kinderwagen op het plaatsje staan. De donkerblauwe kap lijkt glimmend zwart door alle nattigheid. De dekentjes bewegen schokkerig, er komt een roze armpje onder de kap vandaan, de vingertjes krampachtig gestrekt in onhoorbaar huilen.

‘Ik kom eraan Mieneke, stil maar, mama komt al!’ Corry draait aan de deurknop, maar de deur blijft dicht. Ze draait nog eens, rukt aan de knop, slaat op de ruit. Haar kin begint te bibberen. ‘Ik kom eraan, stil maar, ik kom eraan!’ Ze schreeuwt het uit, rammelt aan de deur. ‘Ik kom eraan…’ Haar stem breekt. Ze slaat nog een keer tegen de deur en blijft staan, haar voorhoofd tegen de ruit gedrukt. Het glas wordt wazig door haar tranen.

‘Mevrouw Vaassen? Corry?’ Ze kijkt op. Naast haar staat een jonge vrouw met een mollig gezicht. Ze houdt een blonde baby in een pluizig dekentje omhoog. ‘Hier, uw kindje. Ga haar maar knuffelen, dat vindt ze vast fijn’.
Corry’s ogen worden groot. Ze aarzelt. Dan glimlacht ze, opgelucht. Ach ja, Mieneke ís helemaal niet buiten. De kinderjuf paste op haar. Ze bedankt de jonge vrouw, maar op een of andere manier klinken haar woorden niet helemaal goed. Het geeft niet. Voorzichtig neemt ze het bundeltje over. Denk om het nekje, goed ondersteunen. De blauwe ogen van de kleine Mieneke staan wijd open. Corry wiegt het kindje zachtjes heen en weer. Kom maar schatje, mee met mama.

Prya blijft nog even kijken of de oude dame wel goed terugkomt in haar kamer. Soms blijft ze na zo’n emotionele uitbarsting een paar dagen erg verward. Haar collega’s in de kantine van psychogeriatrische zorggroep Hibiscus hadden het er al over: ‘Het gaat regenen, dat wordt weer gedoe met mevrouw Vaassen. Houd haar babypop maar in de buurt.’
Langzaam schuifelt mevrouw Vaassen haar slaapkamer in. Ze drukt de plastic baby in het wollen dekentje stevig tegen zich aan. Haar gezicht straalt. Prya wacht nog even voor de zekerheid, wendt zich dan af en controleert de gesloten glazen deur naar het balkon. Geen beschadigingen, gelukkig heeft de oude vrouw niet veel kracht in haar handen.
Het wordt even wat lichter en ze kijkt omhoog. Tussen de hoge gebouwen aan de overkant is een stukje hemel zichtbaar, nog grijs, maar het klaart al op.

Verhaal: Boerderijkatjes

Het is donker in de grote schuur. Voorzichtig doet Tommy een stap naar voren. Onder zijn sandalen ritselt stro. Kakelgeluiden van geschrokken kippen en nog meer geritsel in de hoeken. Hij stoot zijn knie tegen een hek dat piepend openschiet en met een klap weer dichtvalt. De kippen kakelen opnieuw, een stuk verder weg nu. Tommy duwt het hek open en sluit het voorzichtig achter zich. Zijn hand blijft haken, plotselinge pijn. Uit een schram welt bloed op. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en zuigt op de wond.
Het is stil. Hij kijkt rond, maar kan niet veel onderscheiden. Diffuus sijpelt het avondlicht door de vuile ramen. Plastic kratten en stapels zaaghout vormen vage silhouetten. Het ruikt naar oude mest en vochtig hout.

Dan hoort hij het. Schrille kreetjes, onbeholpen maar toch melodieus. Het geluid komt van onder de hoge stapel latten in de verste hoek van de schuur. Zo zacht als hij kan sluipt hij naar het hout. De zachte kreetjes worden duidelijker, dringender. Als Tommy bij de latten staat moet hij zijn hoofd in zijn nek leggen om te zien hoe hoog de stapel is. Hij is hoog, hoger nog dan zijn vader en die is volgens zijn moeder zo lang als een boom.
De geluidjes stoppen even als zijn voetzolen hoorbaar over de betonnen vloer schuiven, maar gaan al snel weer verder. Ze komen onder de houtstapel vandaan, of misschien er achter. Hoe langer hij luistert, hoe zekerder hij ervan is dat de kleintjes achter het hout zitten. Hij loopt langs de stapel heen en weer. Aan twee kanten ligt het hout tegen de wanden van de schuur. Er is geen weg omheen. Hij gaat op zijn hurken zitten. ‘Poes, poes, poes! Kom maar!’ De kreetjes stoppen weer even, en gaan dan verder. In Tommy’s oren klinken ze vragend, wanhopig. ‘Voed ons, red ons, neem ons mee’.
Hij kijkt weer langs de stapel omhoog. De lukraak opgestapelde latten vormen een hoekig oppervlak. Ze doen hem denken aan een trap, hoog en steil, maar toch een trap. Hij steekt zijn hand uit en trekt aan een van de latten. Die ligt muurvast.

Hij schudt zijn jack van zich af, zoekt houvast met beide handen en begint te klimmen. Het hout is ruw onder zijn handen. Hij voelt kleine splinters door zijn huid gaan, zijn handpalmen prikken en branden. Niet op letten nu. De rubberen zolen van zijn sandalen vinden gemakkelijk houvast. Hij klimt hoger en hoger. Dit is gemakkelijk, denkt hij. Nog even, poesjes, dan ben ik bij jullie.
Dan verschuift iets onder hem. Zijn voet zakt opzij, glipt van de lat en schiet uit tegen de lat daaronder. Die kraakt, beweegt, begint te vallen. Hij ziet zijn handen steeds verder uit elkaar gaan als de berg hout steeds sneller alle samenhang verliest. Met een donderend geraas stort de stapel in en begraaft Tommy onder meters splinterend zaaghout.

Hij droomt. In zijn droom ligt hij lui op de bank, een Action Man in de ene hand en een plastic motorfiets in de andere. De gangdeur zwaait open en zijn moeder komt binnen, torsend met een onmogelijk grote kartonnen doos. Uit de doos komen benauwde geluidjes. Miauwen, schril en piepend. Hij ziet dat de doos hermetisch is gesloten met dikke lagen bruine tape. ‘Mama, de katjes stikken!’, roept hij uit. Hij wil opstaan, maar zijn moeder glimlacht. ‘Welnee, schat’, zegt ze. ‘Dat vinden ze juist fijn.’ Ze tilt de doos omhoog en zet hem met een zwaai op zijn buik. Hij probeert hem weg te duwen. Er komt geen beweging in. De druk op zijn buik neemt toe, begint pijnlijk te worden, hij krijgt geen adem, raspend gaat de lucht naar binnen en naar buiten. ‘Haal hem eraf, haal hem eraf!’

Zijn ogen vliegen open. Er is geen doos, geen moeder. Hij ligt plat op zijn rug in het donker. De druk op zijn buik is er nog steeds. Hij wil opstaan, maar zijn armen en benen zitten vast. Hij trappelt met zijn voeten, probeert zijn armen los te trekken. Zijn schouders en heupen bewegen, verder niets. Boven hem klinkt een schurend geluid en de druk op zijn buik neemt nog verder toe. Stof en zaagsel dwarrelen in zijn gezicht. Kuchend draait hij zijn hoofd weg, een paar centimeter maar, tot hij een splinterige houtrand in zijn wang voelt prikken. In paniek begint hij te worstelen om los te komen. Het enige resultaat is dat de stekende pijn in zijn buik toeneemt tot ondraaglijke hoogte. Tevergeefs probeert hij zijn knieën op te trekken. Als de pijn wat zakt voelt hij dat zijn wangen nat zijn. En niet alleen zijn wangen. Het is koud in de schuur en zijn kleren voelen doorweekt aan. Hij begint te rillen.

Een onbestemde tijd later neemt het zwart om hem heen af. Grauw licht schijnt door de spleten tussen de latten waaronder hij ligt begraven. Het zijn er niet veel, smal en ver uit elkaar. Niemand zal hem er doorheen kunnen zien.
Tommy’s keel doet pijn. Hij heeft uren liggen schreeuwen om hulp, maar hij wist dat er niemand zou zijn om het te horen. De schuur ligt midden in een weiland. Honderden meters van het woonhuis van de boer en nog veel verder van zijn eigen huis aan de rand van de stad.
Hij heeft dorst. Zijn moeder is nu misschien zoete koffie en brood met kaas en tomaat aan het maken, haar lievelingsontbijt. Dan dringt het tot hem door dat zijn moeder vast geen ontbijtje staat te smeren als haar kind zoek is. Misschien ligt ze wel op de bank te huilen. Misschien zijn zijn vader en moeder wel de hele nacht opgebleven om hem te zoeken. Een snik ontsnapt hem maar zijn ogen blijven droog. Hij heeft geen water meer voor tranen. Hij hoopt dat ze hem niet heel snel vergeten en dat ze zijn Action Man verzameling niet weggeven aan zijn kleine neefje. Bij de gedachte zwelt zijn keel op. Hij slikt moeizaam.

De pijn in zijn buik is weg. Hij voelt helemaal niets meer, geen pijn, geen kou, geen honger. Alleen dorst. Hij zakt weg in een halfslaap, schrikt wakker, zakt weer weg. Het is moeilijk om wakker te blijven en nog moeilijker om na te denken.
Hij vangt een geluid op. Gekrabbel, het scherpe geluid van nagels op hout. Een mager silhouet verschijnt aan de rand van zijn gezichtsveld. Twee ronde ogen weerkaatsen felgroen het licht, dan draait de kat haar kop en de spookachtige reflectie verdwijnt.
Tommy houdt zijn adem in. ‘Poes?’ Zijn stem is schor, bijna onhoorbaar, maar de lapjeskat duikt in elkaar in een schrikreflex. Na een paar seconden ontspant ze. Met sierlijke doelmatigheid weeft ze zich door de wirwar van houten latten. Hij ziet haar kleine roze neus bewegen als ze zich strekt om naast zijn heup aan de grond te ruiken. Als ze zich weer opricht zit er een donkere vlek op haar neus.
Ze gaat zitten, opent haar bekje en miauwt. Piepende kreetjes klinken ten antwoord. Een voor een verschijnen haar kittens. Heel wat minder sierlijk, met onhandige sprongetjes en schuifelpasjes wurmen ze zich door het hout. Het zijn er vijf of zes, allemaal mooi, met lapjes, strepen en grote witte vlekken. Er zit zelfs een kleintje bij dat helemaal zwart is, Tommy kan hem alleen zien door de weerschijn van zijn oogjes.
Hij vergeet waar hij is en begint in zijn hoofd de katjes te verdelen. Die rode voor Mark – het mocht van zijn moeder, de lapjes en het streepje voor oma, de buurvrouw wou er ook wel eentje, en die zwarte zou hij zelf houden. Hij neemt hem gewoon mee naar huis en dan vindt zijn moeder het vast wel goed. Dan realiseert hij zich dat hij misschien niet thuiskomt. De boer zal de kleintjes vinden en ze verdrinken, precies zoals hij had gedreigd, en zijn ouders zullen hém ook niet vinden. Nu verschijnen er toch nog tranen, ze lopen langs zijn wangen omlaag.

De kittens nemen hem vol interesse op en kijken dan naar hun moeder. Die wendt haar kop naar Tommy en knijpt haar ogen even dicht. Lief, denkt hij. Ze ziet dat ik huil, ze wil me troosten. Dankbaar knippert hij terug naar de moederpoes. Dan komt ze overeind, bereikt zijn lichaam met een paar ontspannen stappen en buigt haar kop. De kittens scharrelen haastig achter haar aan. Tommy kan ze daar niet goed zien, maar voelt hun pootjes op zijn benen en heupen, voelt hoe ze hun nageltjes in zijn huid zetten om tegen zijn borst op te klimmen. Dan, in één felle explosie, is de pijn terug. Als hij schreeuwt en schreeuwt, schrikken de katten op. Al snel beseffen ze dat het kabaal geen dreiging voor ze is. Ze hurken en gaan rustig verder met hun maaltijd van half opgedroogd bloed op de rafelige wanden van zijn buikwond.

Tommy is zich niet bewust van de boer, die uren later de schuur binnenkomt, mopperend de ingestorte houtstapel opneemt en dan met een schok een kindersandaal tussen de latten ontdekt. Evenmin merkt hij het  koortsachtige wegruimen van het hout op, het ambulancepersoneel dat hem op een brancard tilt of de eerste uren in het ziekenhuis, waar de artsen hun uiterste best doen zijn leven te redden.

Vele weken later ligt hij thuis op de bank. Hij kan niet goed bewegen. Een van zijn benen is stijf en zijn rechterarm is geslonken en verzwakt door het dragen van gips. Om zijn buik heeft hij nog steeds een stevig verband. Hij strekt zijn arm en laat Action Man heldhaftig tegen de rugleuning opklimmen.
Dan hoort hij de sleutel in het slot draaien. Zijn moeders stem in de gang: ‘Hallo! Ik ben thuis!’  De gangdeur klapt open en zijn moeder komt binnen. In haar handen draagt ze een doos, niet van karton maar van blauw plastic, met een handvat aan de bovenkant en een hekje aan de zijkant. Achter de tralies reflecteren twee ogen felgroen het licht.
Zijn moeder glimlacht verwachtingsvol. ‘Kijk eens, schat.’ Ze zet de doos naast hem op de bank en peutert het hekje open. Een lapjespoes steekt haar kop uit de doos en kijkt hem strak aan.
‘Voor jou! zegt zijn moeder. ‘Papa en ik wisten hoe graag je een eigen katje wou. Daarom ben je toen toch naar die schuur gegaan, je had het er steeds over. Kijk eens, is ze niet lief? Tommy? Hee, Tommy, wat is er? Schreeuw niet zo! Tommy!’

Over Boerderijkatjes

Katten hebben de heerlijke eigenschap zowel volgzaam als eigenzinnig, zowel streelzacht als puntnagelig scherp, zowel clownesk als gracieus te zijn. Enfin, daar is al meer dan genoeg over geschreven, o.a. door Midas Dekkers. Het verhaal Boerderijkatjes is geïnspireerd door de twee echte boerderijkittens die ik in huis heb en die zich met hun luide gespin en doldwaze capriolen in ons hart hebben genesteld.

Verhaal: jong leven

‘Hij gaat het doen! Hij gaat ze opeten! Jaag hem weg, Jimmy, jaag hem nou weg!’ Martha’s stemmetje klonk hoger en hoger en eindigde in een paniekerig gepiep. Jimmy gaf geen krimp. Gefascineerd keek hij door het grote raam van Martha’s slaapkamer naar buiten, haar roze prinsessengordijnen in een kleine, maar stevige knuist geklemd. Het parkje naast hun flatgebouw was stil, het hondenveldje verlaten en de speeltoestellen leeg. Kleine kinderen lagen al in bed en voor tieners was het nog niet donker genoeg om in het speelhuisje sigaretten te roken.

De hoge boom naast de flat was in de beginnende schemer nog duidelijk zichtbaar. Takken, bladeren, lichtbruine schors en op een dikke zijarm een vogelnest. Op het nest een grijze duif, de kraaloogjes strak gericht op een onwelkome bezoeker. Een grote zwarte raaf hipte heen en weer tussen de takken. Bij elke hip landde hij iets dichterbij het duivennest.
‘Papa zegt dat dat de natuur is, die raaf heeft gewoon honger’. Hij probeerde zijn stem laag en volwassen te laten klinken.
‘Maar Jimmy, die eitjes zijn haar báby’s!’ Martha begon nu voluit te snikken. Ze drukte haar  versleten babypop stijf tegen haar borst. Jimmy aarzelde. Hij wilde best zien hoe die raaf op jacht ging, ook al waren de prooien maar een duf stel eieren. Aan de andere kant, het was hem pas opgevallen hoe zielig die mamaduif was toen Martha begon te huilen. Die duif zat daar maar op haar nest en kon niets doen om haar eieren te verdedigen. Jimmy nam een besluit.
‘Niet huilen Martha, ik zorg er wel voor dat hij weggaat’. Dat grote beest wegjagen was beslist een stoere actie. Jimmy had er een duidelijke voorstelling van: hij zou de mamaduif helpen, de baby’s redden en indruk maken op zijn kleine zusje. In zijn hoofd vormde zich het beeld van een ridder, gemodelleerd naar de duplopoppetjes die hij al jaren bij elke verjaardag kreeg. Nobel, dapper, een echte held. En morgen, als die onaardige oppas weg was, zou hij het papa en mama vertellen.

Jimmy peuterde de kinderveilige sluiting van het raam los, trok de hendel opzij en duwde het raam open. Soepel zwaaide het naar buiten.
‘Geef me je stokpaardje!’ beval hij. ‘En snuit je neus!’ Martha gehoorzaamde. Met het houten stokpaardje nog in de hand poetste ze snel haar neus droog met een van haar blonde vlechten.
Jimmy leunde uit het raam en reikte zo ver mogelijk naar de boom. Wild zwaaiend met het stokpaard schreeuwde hij: ‘Hee! Raaf! Weg jij! Opzouten!’ Zowel de duif als de raaf keken op, maar bleven op hun post. De raaf fladderde wat met zijn vleugels, hipte nog een keer en kwam opnieuw dichter bij het nest neer. Dat het jongetje nog harder begon te schreeuwen en nog wilder ging zwaaien deerde hem niet. Pas toen Jimmy uit het raam viel en veel lager met een harde klap tussen de struiken neerkwam vloog de raaf geschrokken weg.

‘Lig je nou nóg niet te slapen? Hoe lang geleden heb ik jullie gezegd naar bed te gaan? En had je moeder niet gezegd dat jullie naar me moesten luisteren?’ Gina beende de kleine slaapkamer van Martha in, sloot met een ruk het raam en trok een nachtpon uit de kast. Martha zei niets. Ze zat stil op haar bed, een duim in haar mond en haar pop tegen zich aan geklemd.
‘Niets te zeggen?’ Soepel knielde Gina in haar strakke jeans bij het bed. Met kortdate bewegingen trok ze Marthas sokjes uit, haar jurk over haar hoofd en net zo snel ging de nachtpon aan. Haar duim werd met een rukje uit haar mond getrokken om de mouw over haar arm te trekken. Martha hield haar mond open en zei zachtjes een woord: ‘Jimmy’.
‘Wat is er met hem?’
‘Jimmy, hij is…’ ‘Ja ja, je broer is al naar bed, dat weet ik, z’n kamer is helemaal donker. Die luistert tenminste’. Gina sloeg het Bambidekbed open, legde Martha op haar zij en stopte haar stevig in. De duim floepte terug op zijn plaats. ‘Nou meissie, lekker slapen nu. Als je wakker wordt zijn je ouders al thuis en misschien kom ik volgende week weer oppassen’.
Martha reageerde niet. Schouderophalend liep Gina weg en deed het licht achter zich uit.

Martha werd zich langzaam bewust van het geluid dat haar uit een onrustige slaap had gehaald. Door de gordijnen kwam al wat grijs ochtendlicht. Daar was het geluid weer, een griezelig gejammer. Ze verstijfde en stopte haar duim, die gevoelig en rood was, weer in haar mond. Zelfs met het dekbed over haar hoofd kon ze de geluiden niet buitensluiten: aanhoudend gejammer, voetstappen, een onbekende mannenstem. ‘Mevrouw, meneer, ik vind het vreselijk voor u. Kan ik iemand voor u bellen?’
Opeens wist Martha wat de klagende geluiden betekenden. Ze had haar moeder nog nooit horen huilen. Ze schoof het dekbed van zich af, stond op en liep naar het raam. Ze trok het gordijn wat opzij. Daar was mamaduif, veilig in de boom. Ze zat op de rand van het nest en keek met korte beweginkjes van haar kop in het rond. Martha kon met moeite vier zwarte snaveltjes in het nest onderscheiden. De eieren waren vannacht uitgekomen.