Tagarchief: dieren

Verhaal: Boerderijkatjes

Het is donker in de grote schuur. Voorzichtig doet Tommy een stap naar voren. Onder zijn sandalen ritselt stro. Kakelgeluiden van geschrokken kippen en nog meer geritsel in de hoeken. Hij stoot zijn knie tegen een hek dat piepend openschiet en met een klap weer dichtvalt. De kippen kakelen opnieuw, een stuk verder weg nu. Tommy duwt het hek open en sluit het voorzichtig achter zich. Zijn hand blijft haken, plotselinge pijn. Uit een schram welt bloed op. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en zuigt op de wond.
Het is stil. Hij kijkt rond, maar kan niet veel onderscheiden. Diffuus sijpelt het avondlicht door de vuile ramen. Plastic kratten en stapels zaaghout vormen vage silhouetten. Het ruikt naar oude mest en vochtig hout.

Dan hoort hij het. Schrille kreetjes, onbeholpen maar toch melodieus. Het geluid komt van onder de hoge stapel latten in de verste hoek van de schuur. Zo zacht als hij kan sluipt hij naar het hout. De zachte kreetjes worden duidelijker, dringender. Als Tommy bij de latten staat moet hij zijn hoofd in zijn nek leggen om te zien hoe hoog de stapel is. Hij is hoog, hoger nog dan zijn vader en die is volgens zijn moeder zo lang als een boom.
De geluidjes stoppen even als zijn voetzolen hoorbaar over de betonnen vloer schuiven, maar gaan al snel weer verder. Ze komen onder de houtstapel vandaan, of misschien er achter. Hoe langer hij luistert, hoe zekerder hij ervan is dat de kleintjes achter het hout zitten. Hij loopt langs de stapel heen en weer. Aan twee kanten ligt het hout tegen de wanden van de schuur. Er is geen weg omheen. Hij gaat op zijn hurken zitten. ‘Poes, poes, poes! Kom maar!’ De kreetjes stoppen weer even, en gaan dan verder. In Tommy’s oren klinken ze vragend, wanhopig. ‘Voed ons, red ons, neem ons mee’.
Hij kijkt weer langs de stapel omhoog. De lukraak opgestapelde latten vormen een hoekig oppervlak. Ze doen hem denken aan een trap, hoog en steil, maar toch een trap. Hij steekt zijn hand uit en trekt aan een van de latten. Die ligt muurvast.

Hij schudt zijn jack van zich af, zoekt houvast met beide handen en begint te klimmen. Het hout is ruw onder zijn handen. Hij voelt kleine splinters door zijn huid gaan, zijn handpalmen prikken en branden. Niet op letten nu. De rubberen zolen van zijn sandalen vinden gemakkelijk houvast. Hij klimt hoger en hoger. Dit is gemakkelijk, denkt hij. Nog even, poesjes, dan ben ik bij jullie.
Dan verschuift iets onder hem. Zijn voet zakt opzij, glipt van de lat en schiet uit tegen de lat daaronder. Die kraakt, beweegt, begint te vallen. Hij ziet zijn handen steeds verder uit elkaar gaan als de berg hout steeds sneller alle samenhang verliest. Met een donderend geraas stort de stapel in en begraaft Tommy onder meters splinterend zaaghout.

Hij droomt. In zijn droom ligt hij lui op de bank, een Action Man in de ene hand en een plastic motorfiets in de andere. De gangdeur zwaait open en zijn moeder komt binnen, torsend met een onmogelijk grote kartonnen doos. Uit de doos komen benauwde geluidjes. Miauwen, schril en piepend. Hij ziet dat de doos hermetisch is gesloten met dikke lagen bruine tape. ‘Mama, de katjes stikken!’, roept hij uit. Hij wil opstaan, maar zijn moeder glimlacht. ‘Welnee, schat’, zegt ze. ‘Dat vinden ze juist fijn.’ Ze tilt de doos omhoog en zet hem met een zwaai op zijn buik. Hij probeert hem weg te duwen. Er komt geen beweging in. De druk op zijn buik neemt toe, begint pijnlijk te worden, hij krijgt geen adem, raspend gaat de lucht naar binnen en naar buiten. ‘Haal hem eraf, haal hem eraf!’

Zijn ogen vliegen open. Er is geen doos, geen moeder. Hij ligt plat op zijn rug in het donker. De druk op zijn buik is er nog steeds. Hij wil opstaan, maar zijn armen en benen zitten vast. Hij trappelt met zijn voeten, probeert zijn armen los te trekken. Zijn schouders en heupen bewegen, verder niets. Boven hem klinkt een schurend geluid en de druk op zijn buik neemt nog verder toe. Stof en zaagsel dwarrelen in zijn gezicht. Kuchend draait hij zijn hoofd weg, een paar centimeter maar, tot hij een splinterige houtrand in zijn wang voelt prikken. In paniek begint hij te worstelen om los te komen. Het enige resultaat is dat de stekende pijn in zijn buik toeneemt tot ondraaglijke hoogte. Tevergeefs probeert hij zijn knieën op te trekken. Als de pijn wat zakt voelt hij dat zijn wangen nat zijn. En niet alleen zijn wangen. Het is koud in de schuur en zijn kleren voelen doorweekt aan. Hij begint te rillen.

Een onbestemde tijd later neemt het zwart om hem heen af. Grauw licht schijnt door de spleten tussen de latten waaronder hij ligt begraven. Het zijn er niet veel, smal en ver uit elkaar. Niemand zal hem er doorheen kunnen zien.
Tommy’s keel doet pijn. Hij heeft uren liggen schreeuwen om hulp, maar hij wist dat er niemand zou zijn om het te horen. De schuur ligt midden in een weiland. Honderden meters van het woonhuis van de boer en nog veel verder van zijn eigen huis aan de rand van de stad.
Hij heeft dorst. Zijn moeder is nu misschien zoete koffie en brood met kaas en tomaat aan het maken, haar lievelingsontbijt. Dan dringt het tot hem door dat zijn moeder vast geen ontbijtje staat te smeren als haar kind zoek is. Misschien ligt ze wel op de bank te huilen. Misschien zijn zijn vader en moeder wel de hele nacht opgebleven om hem te zoeken. Een snik ontsnapt hem maar zijn ogen blijven droog. Hij heeft geen water meer voor tranen. Hij hoopt dat ze hem niet heel snel vergeten en dat ze zijn Action Man verzameling niet weggeven aan zijn kleine neefje. Bij de gedachte zwelt zijn keel op. Hij slikt moeizaam.

De pijn in zijn buik is weg. Hij voelt helemaal niets meer, geen pijn, geen kou, geen honger. Alleen dorst. Hij zakt weg in een halfslaap, schrikt wakker, zakt weer weg. Het is moeilijk om wakker te blijven en nog moeilijker om na te denken.
Hij vangt een geluid op. Gekrabbel, het scherpe geluid van nagels op hout. Een mager silhouet verschijnt aan de rand van zijn gezichtsveld. Twee ronde ogen weerkaatsen felgroen het licht, dan draait de kat haar kop en de spookachtige reflectie verdwijnt.
Tommy houdt zijn adem in. ‘Poes?’ Zijn stem is schor, bijna onhoorbaar, maar de lapjeskat duikt in elkaar in een schrikreflex. Na een paar seconden ontspant ze. Met sierlijke doelmatigheid weeft ze zich door de wirwar van houten latten. Hij ziet haar kleine roze neus bewegen als ze zich strekt om naast zijn heup aan de grond te ruiken. Als ze zich weer opricht zit er een donkere vlek op haar neus.
Ze gaat zitten, opent haar bekje en miauwt. Piepende kreetjes klinken ten antwoord. Een voor een verschijnen haar kittens. Heel wat minder sierlijk, met onhandige sprongetjes en schuifelpasjes wurmen ze zich door het hout. Het zijn er vijf of zes, allemaal mooi, met lapjes, strepen en grote witte vlekken. Er zit zelfs een kleintje bij dat helemaal zwart is, Tommy kan hem alleen zien door de weerschijn van zijn oogjes.
Hij vergeet waar hij is en begint in zijn hoofd de katjes te verdelen. Die rode voor Mark – het mocht van zijn moeder, de lapjes en het streepje voor oma, de buurvrouw wou er ook wel eentje, en die zwarte zou hij zelf houden. Hij neemt hem gewoon mee naar huis en dan vindt zijn moeder het vast wel goed. Dan realiseert hij zich dat hij misschien niet thuiskomt. De boer zal de kleintjes vinden en ze verdrinken, precies zoals hij had gedreigd, en zijn ouders zullen hém ook niet vinden. Nu verschijnen er toch nog tranen, ze lopen langs zijn wangen omlaag.

De kittens nemen hem vol interesse op en kijken dan naar hun moeder. Die wendt haar kop naar Tommy en knijpt haar ogen even dicht. Lief, denkt hij. Ze ziet dat ik huil, ze wil me troosten. Dankbaar knippert hij terug naar de moederpoes. Dan komt ze overeind, bereikt zijn lichaam met een paar ontspannen stappen en buigt haar kop. De kittens scharrelen haastig achter haar aan. Tommy kan ze daar niet goed zien, maar voelt hun pootjes op zijn benen en heupen, voelt hoe ze hun nageltjes in zijn huid zetten om tegen zijn borst op te klimmen. Dan, in één felle explosie, is de pijn terug. Als hij schreeuwt en schreeuwt, schrikken de katten op. Al snel beseffen ze dat het kabaal geen dreiging voor ze is. Ze hurken en gaan rustig verder met hun maaltijd van half opgedroogd bloed op de rafelige wanden van zijn buikwond.

Tommy is zich niet bewust van de boer, die uren later de schuur binnenkomt, mopperend de ingestorte houtstapel opneemt en dan met een schok een kindersandaal tussen de latten ontdekt. Evenmin merkt hij het  koortsachtige wegruimen van het hout op, het ambulancepersoneel dat hem op een brancard tilt of de eerste uren in het ziekenhuis, waar de artsen hun uiterste best doen zijn leven te redden.

Vele weken later ligt hij thuis op de bank. Hij kan niet goed bewegen. Een van zijn benen is stijf en zijn rechterarm is geslonken en verzwakt door het dragen van gips. Om zijn buik heeft hij nog steeds een stevig verband. Hij strekt zijn arm en laat Action Man heldhaftig tegen de rugleuning opklimmen.
Dan hoort hij de sleutel in het slot draaien. Zijn moeders stem in de gang: ‘Hallo! Ik ben thuis!’  De gangdeur klapt open en zijn moeder komt binnen. In haar handen draagt ze een doos, niet van karton maar van blauw plastic, met een handvat aan de bovenkant en een hekje aan de zijkant. Achter de tralies reflecteren twee ogen felgroen het licht.
Zijn moeder glimlacht verwachtingsvol. ‘Kijk eens, schat.’ Ze zet de doos naast hem op de bank en peutert het hekje open. Een lapjespoes steekt haar kop uit de doos en kijkt hem strak aan.
‘Voor jou! zegt zijn moeder. ‘Papa en ik wisten hoe graag je een eigen katje wou. Daarom ben je toen toch naar die schuur gegaan, je had het er steeds over. Kijk eens, is ze niet lief? Tommy? Hee, Tommy, wat is er? Schreeuw niet zo! Tommy!’

Advertenties

Over Boerderijkatjes

Katten hebben de heerlijke eigenschap zowel volgzaam als eigenzinnig, zowel streelzacht als puntnagelig scherp, zowel clownesk als gracieus te zijn. Enfin, daar is al meer dan genoeg over geschreven, o.a. door Midas Dekkers. Het verhaal Boerderijkatjes is geïnspireerd door de twee echte boerderijkittens die ik in huis heb en die zich met hun luide gespin en doldwaze capriolen in ons hart hebben genesteld.