Tagarchief: Cat Hil

Nieuwe publicatie: Verhalen en schrijfoefeningen van de Werkgroep Proza

Eind 2015 was het dan zover: de schrijfgroep waarvan ik coördinator ben, bracht een eigen publicatie uit!

Het unieke van dit boekje is dat het niet alleen verhalen bevat. Ook de allerbeste schrijftips en schrijfoefeningen van mijn schrijfgroep, de Werkgroep Proza, zijn opgenomen in deze publicatie. Denk aan thema’s, zelfcensuur, de maatschappij enzovoorts. Twaalf stukken schrijfkennis om je tanden in te zetten.
Daarnaast hebben de twaalf enthousiaste schrijvers van de werkgroep hun mooiste verhalen opgeleverd zodat iedereen ervan kan genieten. En geloof me, ze zijn mooi. 🙂

Een heel geschikt boekje dus om lekker bij weg te dromen, maar vooral ook om je eigen schrijfvaardigheden bij te slijpen.

Hier kun je mijn inleiding lezen.

Erg leuk was het om te zien hoe enthousiast de aanwezigen reageerden bij de goedbezochte boekpresentatie in Bibliotheek Zoetermeer.

Heb je interesse in het boekje? Je kunt het lenen via je eigen Bibliotheek (de bibliotheken onderling lenen hun collecties uit), of kopen bij mij voor een tientje exclusief verzondkosten.

ISBN: 9789087595623

2015-10-16-14_55_38-clipboard

Van Zoete meren en bruisende woorden – Verhalen en schrijfoefeningen van de Werkgroep Proza

boekpresentatie werkgroep Proza-7624

Ik krijg bloemen en een kus van werkgroeplid Jolanda (links) voor het optreden als redacteur voor de bundel.

boekpresentatie werkgroep Proza-7612

Emmy Rijsdijk verzorgde de inleiding bij de boekpresentatie.

Advertenties

Waarom wordt onze zorgpremie hoger?

 .

Interview met woordvoerder van staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(spotschrift)

 Waarom wordt onze zorgpremie ieder jaar hoger?

“Zorg wordt steeds duurder. Dat weten de meeste mensen, maar meer uitleg is toch op zijn plaats. Kosten- en efficiencyoverwegingen hebben geleid tot ons nieuwe zorgstelsel. De premies die de verzekeraars vragen, horen bij dit stelsel. Als je kiest voor iets nieuws, dan moet je je daar ook aan committeren. De regering van Nederland doet dat en vaart een standvastige koers.”

Dus waarom wordt onze zorgpremie ieder jaar hoger?

“Zoals ik zojuist uiteenzette heeft dat te maken met ons nieuwe zorgstelsel. Dat moet natuurlijk gefinancierd worden. Behandelingen als een wattenpropje uit een oor halen tot het diagnosticeren van een ingegroeide teennagel hebben allemaal een gestandaardiseerd tarief toegewezen gekregen. Zo is het niet langer strikt noodzakelijk de kosten te berekenen voor welke materialen zijn gebruikt, hoe lang een patiënt bij de specialist is geweest en welke handelingen daadwerkelijk zijn verricht, voor alles wordt simpelweg een alles dekkend, hoog tarief gerekend. Dat is uiterst efficiënt en de verzekeraars zijn dan ook heel content met deze overzichtelijke manier van werken.”

En waarom is het dan dat de premie ieder jaar hoger wordt?

“Graag verwijs ik terug naar mijn eerdere antwoord over de gestandaardiseerde tarieven. Die tarieven hebben niet alleen te maken met de verzekeraars, maar komen ook vanuit de farmaceutische industrie, die medicamenten laat ontwikkelen en ze produceert. Nederland is zich scherp bewust van haar verantwoordelijkheid jegens industrieën die een noodzakelijk product voortbrengen.  Ditzelfde geldt voor de diverse zorgverzekeraars: zij vormen een onmisbare schakel in de keten die leidt naar een optimaal volksgezondheidsbeleid. Vanzelfsprekend hebben zij de vrijheid te handelen naar de voor hen meest optimale kosten-/batenoverwegingen.
Dat is ook voor de Nederlandse burger alleen maar gunstig; immers: een bloeiende industrie brengt werkgelegenheid en dus een gezonde koopkracht met zich mee. En die kan vervolgens prima aangewend worden om de eigen bijdragen op medicijnen te bekostigen.”

Maar waarom wordt de premie dan ieder jaar hoger?

“Ik heb reeds uiteengezet welke krachten inwerken op de tarieven voor de Nederlandse zorg. Indien u gezond en werkende bent en werknemerspremies afdraagt, dan zult u zich er wel van bewust zijn dat u via deze belastingen een aanzienlijk deel van de zorgkosten financiert voor uw mede-Nederlanders. Vooral ouderen en chronisch zieken, die zoals bekend vaker en ernstiger gezondheidsklachten hebben, trekken in dit opzicht uw portemonnee leeg. Hoewel zij zelf ook premies afdragen, is dit onvoldoende om de tarieven zoals eerder uiteengezet volledig te kunnen dekken.

Natuurlijk vinden wij solidariteit het allerhoogste goed, wij Nederlanders zijn er immers voor elkaar. Daar hoort ook bij dat wij samen de zorg in onze maatschappij dragen, in financieel opzicht maar ook door bijvoorbeeld mantelzorg. Ook ú kunt wat doen. Wellicht kunt u uw oudere buurvrouw of grootouders helpen door af en toe hun huis schoon te maken, ze onder de douche te zetten, terminale zorg te verlenen of, als dit alles nog niet aan de orde is, zorg te dragen voor enige informatie waarmee u hun zelfredzaamheid vergroot, zoals het geven van instructie omtrent het bereiken van een vrijwillig levenseinde. Ik heb begrepen dat de onderlinge betrokkenheid in ons land zo hoog is, dat er via internet diverse zeer mensvriendelijke methoden te vinden zijn om snel en pijnloos een einde te maken aan de periode van niet-productiviteit van uw oudere of zieke familielid of kennis. Zij zullen u voor deze informatie ongetwijfeld dankbaar zijn.”

 @Cat Hil 2014. Disclaimer: dit interview evenals de geïnterviewde zijn fictief (echter wel geïnspireerd door werkelijke omstandigheden :-).

zorg-basis-risico

Twee winnende verhalen in The Flying Dutch

Hoe trots was ik vandaag, toen ik de post opende en in een grote envelop vijf exemplaren van The Flying Dutch aantrof.

The Flying Dutch is het full color magazine van de Nederlandse Star Trek vereniging, een groep SF-liefhebbers die ook de jaarlijkse schrijfwedstrijd Trek Sagae sponsort. De 2012-editie van deze wedstrijd heb ik gewonnen met twee verhalen. Mike Jansen heeft de derde plaats veroverd. De prijsuitreiking vond dit najaar plaats, en de winnende verhalen zijn deze maand gepubliceerd in een flink middenkatern. Het ziet er geweldig uit. 🙂

Beenderen van de sapiens, nummer 1, speelt zich af in de verre, verre toekomst. Een toekomst waarin de mens op ons terugkijkt zoals wij nu op onze primitieve voorouders. Een toekomst waarin de menselijke natuur nog steeds voor ieder antwoord nieuwe vragen formuleert en waarin de menselijke individualiteit nog steeds springlevend is. De eerste alinea’s van dit verhaal:

Beenderen van de sapiens

Met een zachte kwast veegt Tamerei de laatste resten gruis van het fossiel dat half uit het zand steekt. Een spaakbeen, ellepijp en een aantal fijne botjes van een pols en hand. Homo sapiens, hij is er vrijwel zeker van. Hij heeft zijn team nog niet gewaarschuwd; het is ook nog mogelijk dat de botten van een oud soort mensaap zijn. De typerende vorm van een menselijke duim had hem zekerheid kunnen geven, maar die heeft hij niet kunnen vinden. Nog niet.

Hij kijkt op om er zeker van te zijn dat de beeldbewaarder die boven zijn schouder in de stoffige lucht zweeft actief is. Het is van cruciaal belang dat het apparaat alles registreert. Na jarenlange voorbereidingen wordt dit onherbergzame werelddeel voor het eerst onderzocht. Concurrerende opgravingsteams zijn zuidelijk en westelijk op het continent actief en iedereen wil de beste vondsten doen, de fossielen met het grootste wetenschappelijk belang uit de bodem halen.

Ondanks zijn reusachtige aantallen in het oeroude tijdperk van het holoceen is de homo sapiens nu, meer dan een miljoen jaar later, verrassend moeilijk te vinden.

In prijswinnaar 2, Appelbloesem in de nacht, rijdt een oude man, losgerukt van zijn wortels en alles wat hem dierbaar was, door een nachtelijk, winters bedrijventerrein. Zijn eenzame tocht wordt gedreven door verbittering, tot hij ontdekt dat niets ooit helemaal verloren gaat. Een paar alinea’s uit dit verhaal:

Appelbloesem in de nacht

Buiten is het gestopt met sneeuwen, behalve de poedersneeuw die opgejaagd door de wind van het asfalt opstuift. In de plotselinge stilte krijgen de windvlagen die tegen het busje duwen opnieuw een stem. Ze spelen samen, denkt Gerrit. Maar ze hebben er geen plezier in. Misschien is het geen spel. Ze snauwen en graaien naar elkaar met ruwe, witbeijzelde handen. Hij draait het contactsleuteltje om zodat de stroom van warme lucht uit de roosters in het dashboard weer op gang komt.

Dit is geen plaats voor mensen. Niet nu, niet meer. Misschien overdag, als de contractslaven de parkeerplaatsen bezetten met hun Opels en Audi’s en in pantalons en spijkerbroeken de bedrijfspanden binnenlopen. Hij kan ze gemakkelijk voor zich zien, met de zolen van hun dure leren schoenen en hooggehakte laarzen klikkend over de parkeerplaats, zich onbewust van de begraven schoonheid van deze plek. Zíj horen hier nu thuis. Hij is degene die hier geen plaats heeft. Toch blijft hij zitten.

Heb je zin om de verhalen te lezen, dan zijn er zeker nog exemplaren van het magazine beschikbaar: info@tfd.nl.

flyingdutch dec 2013

Vrouwenquillerz deel 3

Ik hou wel van die donkere boekomslagen, jullie ook? Dit is een verhalenbundel van Vrouwenthrillers, de derde alweer, samengesteld uit een selectie van de beste verhalen op hun site. Een van die verhalen is door mij geschreven; Interview in de tropen. De gedrukte bundel is te koop, maar ook kosteloos als ebook verkrijgbaar.

Afbeelding

Tropenverhaal is nieuwe VrouwenQuiller

.

Mijn nieuwe verhaal ‘Een interview in de tropen’ is vandaag geplaatst op de site van VrouwenThrillers.nl. Een quote:

Sinds september 2009 houdt VrouwenThrillers.nl een open wedstrijd voor (aspirant) schrijvers en schrijfsters: de VrouwenQuiller (spreek uit: “VrouwenKiller”). De VrouwenQuiller is een “Quick VrouwenThriller”, een spannend verhaal in maximaal 4000 woorden.

Leuk initiatief, nietwaar? Mijn verhaal ‘Een interview in de tropen’ is de nieuwe VrouwenQuiller. Een verloren man met een geheim motief, een onomkeerbare daad op een tropisch eiland en een rijke, maar niet zo aardige vrouw: dat kan niet goed aflopen. Laat me weten wat je ervan vindt! Hieronder de eerste alinea’s van ‘Een interview in de tropen’, klik door om het hele verhaal te lezen.

Een interview in de tropen

Het huis was nog groter dan op de foto’s die Michael Kinan ervan had gezien in glossy magazines. Hij nam aan dat het gebouwd was van beton, zoals de meeste huizen op Aruba, maar de muren waren wit bepleisterd en versierd met glanzende natuursteen. Rode dakpannen, balkons met sierlijk gedraaide spijlen en uitbundig bloeiende bougainville. Zijn oog viel op een naambord aan de gevel: Barracuda Home, in schuin sierschrift. Het tuinpad vertakte zich vlak voor de deur naar rechts. Richting de kust achter het huis, veronderstelde hij. Het helderblauwe water van de Caribische zee was vaag zichtbaar achter de bloeiende planten en de palmen rondom het huis. 
Eindelijk was hij bij de voordeur. Het verbaasde hem dat hij zonder meer had kunnen doorlopen zonder dat hem een haar in de weg was gelegd, tot hij de beveiligingscamera boven de deur zag. De donkere lens was op hem gericht.
Lees meer

Verhaal: we kunnen ervan eten

De voeten van Michels moeder stonden geen moment stil. Ze tikte met haar hakken op de grond, wiebelde met haar enkels en strekte haar kuiten, zodat Michel haastig moest wegschuiven om haar puntige schoenen niet in zijn gezicht te krijgen. Zijn zitvlak schoof daarbij hoorbaar over de vloer en hij hield geschrokken zijn adem in, maar de volwassenen rond de eettafel praatten ongestoord verder.

Michel zat al lang onder de grote tafel in de eetkamer van zijn huis.  Zijn ouders en grootouders hadden al die tijd zitten eten. Hij wist niet dat grote mensen zo lang konden doorgaan met eten. Zo af en toe was zijn moeder opgestaan en hoorde hij de heldere geluiden van borden en bestek dat opgestapeld werd. Steeds kwam ze al snel terug met nieuw voedsel. Hij hield zich muisstil, zodat ze hem niet zou horen of zien. Dan het bonken van een nieuwe schaal op tafel, het schrapen van een opscheplepel en de koerende lofprijzingen van oma Marjon: ‘O God wat is dit heerlijk, wat kan jij toch goed koken, Gemma’. En opa Willem: ‘Hou toch op, jij vindt alles lekker’.  Het was even stil rond de tafel en Michel verstarde. Toen een tinkelend lachje van zijn moeder, waarna zijn vader inviel met zijn warme, hartelijke schaterlach. Oma Kokkie en Opa Jan deden mee en een paar tellen lang was de kamer gevuld met vrolijke geluiden.
Michel herademde. Hij draaide zich op zijn rug. Het tafelblad vormde een reusachtig donker vlak boven hem. Zijn ouders en vier grootouders bezetten maar de helft van het aantal stoelen. Een glanzend donkergroen tafellaken hing tot halverwege hun kuiten.   Nu en dan viel een doperwtje op de grond, of wat kruimels van het gesneden stokbrood. Brokjes en stukjes van het gesprek bereikten hem ook, maar die waren niet wat hij ervan verwacht had. Ze hadden het over het weer, over mensen die dood waren gegaan en over de nieuwe koelbus.
Michel vroeg zich af wanneer ze de geheimen nu eindelijk zouden bespreken. Volwassenen hadden het altijd over geheimen als kinderen er niet bij waren, dat wist iedereen. Daarom hielden ouders soms plotseling op met praten als hun kinderen binnenkwamen.  Hij geeuwde, geluidloos met zijn hand voor zijn mond.

Plotseling hoorde hij zijn naam. Wat was dat? Hij probeerde zijn oren te spitsen. Hij voelde de spieren in zijn hoofdhuid trekken maar geloofde niet dat zijn oren echt spits werden. Het hielp ook niet om beter te horen.

‘…begint eindelijk aan te spekken’, zei zijn moeder. ‘Binnenkort kunnen we er lekker van eten’.  Opa Willem viel in: ‘Hoor je dat, Marjon? Eten, dat kun je wel, hè!’
Dit keer geen gelach. ‘Nou weten we het wel, Willem.’ Opa Jan klonk geïrriteerd.  ‘Wat zei je, Gemma? Breken de vette jaren eindelijk aan? Werd tijd ook, na al dat werk dat jullie erin hebben gestoken.’
Mama lachte, weer dat kristalheldere lachje. Michel hoorde haar niet vaak lachen. Ze glimlachte soms, als hij zijn speelgoed opruimde of als hij zijn bord leegat. Vooral dat laatste vond ze belangrijk. Hij keek naar zijn buik, die mollig en roze boven zijn pyjamabroek opbolde.

‘Vergeet niet dat we het met heel veel liefde hebben gedaan’,  zei ze. ‘Het was onze droom en we hebben er veel voor gelaten. Na die snelle groei van het afgelopen jaar zijn we eindelijk in staat ervan te eten. Daar deden we het voor, ja toch Rob?’
Michel draaide zich terug op zijn buik. Pas geleden had zijn vader net zoiets tegen hem gezegd: ‘Ongelooflijk hoe jij deze zomer gegroeid bent’. Hij had gelachen en hem een klopje op zijn hoofd gegeven. Daarna was hij naar de keuken gegaan en had vanuit de deuropening een muffin naar hem toegegooid. Michel had hem met een sprongetje uit de lucht gegrist.

‘Ik vind dat jullie het hem eerst moeten vertellen.’ Dat was Oma Kokkie. ‘Het is toch niet eerlijk voor dat joch als jullie dit gaan doen zonder dat hij het van te voren weet?’
‘Nee Ma, dan wordt hij alleen maar bang.’ De diepe stem van papa. ‘Nergens voor nodig. Het is snel genoeg achter de rug.’
‘Maar hoe kun je hem nou niet voorbereiden? Dat is toch zielig!’
Zijn moeder kwam tussenbeide. ‘Lieverd, we waarderen het dat je je zorgen over Michel maakt maar we  hebben er echt goed over nagedacht. We willen dat hij het pas kort van te voren hoort. Het is toch al zo’n piekeraar. Laten we hem nou lekker zorgeloos houden zolang het kan.’
Ze klonk geprikkeld, net zoals ’s avonds als hij niet wilde gaan slapen. Gisteravond was hij netjes op tijd in bed gekropen en ze had hem een stevige welterustenkus op allebei zijn wangen gegeven. Wat had ze ook weer gezegd? Lekkere wangetjes, zoiets. Ze kon hem wel opeten, dat was het. Hij had erom gegiecheld.
Oma Kokkie weer: ‘Maar toch’… Papa viel haar in de rede. ‘Ma, we hebben er niet voor niets al die tijd bovenop gezeten. Wat Gemma al zei: we kunnen er nu van eten, en meer dan dat. Eindelijk zit er een vetrandje aan en dat is voor ons. We houden ontzettend veel van Michel, dat weet je, maar het is niet anders.’

De volwassenen schrokken op uit hun gesprek door een eigenaardig jammergeluid van onder de tafel. Gemma’s ogen werden groot toen ze haar achtjarige zoon opgekruld in een foetushouding op de beschaduwde parketvloer zag liggen.  Hij reageerde niet op haar stem of haar aanrakingen. Nadat zijn vader hem, onhandig in zijn verstarde houding, had opgepakt en naar bed gebracht, bloedde de conversatie al snel dood. Van boven hoorden ze zijn zware voetstappen, het openzwaaien van Michels slaapkamerdeur en daar tussendoor nog steeds het woordloze gejammer.
Haar ouders en schoonouders bleven niet voor de koffie. Oma Kokkie hield haar blik afgewend, knikte stroef in haar richting en liep naar buiten, haar tas in haar magere handen geklemd. Gemma nam afscheid van de anderen en ruimde daarna de tafel op. De jaarrekening van hun cateringbedrijf die ze vol trots hadden laten zien legde ze aan de kant, met daarbovenop de folders van de wintersportvakantie die zij en Rob hadden geboekt. Hun allereerste vakantie zonder Michel.

Verhaal: Schaatsen op de Schinkel

Mijn schaatsen bungelen aan mijn hand. Ik loop zo snel dat ze heen en weer zwaaien. De  punten van de ijzers prikken bij iedere zwaai in mijn bovenbeen. Als de beschermers er nog omheen hadden gezeten was dat niet zo pijnlijk geweest, maar die draag ik in mijn andere hand. Ik stop niet om ze vast te maken, daar heb ik geen tijd voor. Ik ga schaatsen!

De Schinkel is stijfbevroren. De brede sloot krioelt van kinderen in felgekleurde jacks en volwassenen met wollen sjaals. We wonen hier nog niet zo lang en ik ken niemand. Ik ga zitten op de kant, trek mijn oude leren schoenen uit en probeer mijn voeten in de schaatsen te krijgen. Het lukt niet, de veters zitten nog helemaal strak. Terwijl ik veter voor veter lostrek voel ik de eerste steken van de vrieskou in mijn tenen. Snel nou, los met die dingen.
De kunstschaatsen zijn tweedehands maar bijna nieuw,  het leer is nog stug en mooi wit. Eindelijk lukt het me mijn voeten erin te wurmen. Ik rijg en strik de onhandig lange veters, denk aan de instructies van mijn moeder – ‘goed strak, Cat!’, maak ze los en strik ze opnieuw.
Dan sta ik wankelend op. Ik kijk naar de andere schaatsers,  vooral naar de voeten van de meisjes en hun moeders. Sommige meisjes dragen schaatsen die zo vergeeld zijn dat ze beige lijken. Ik heb een vergenoegd soort medelijden met ze.

Ik zet af en zwier over het ijs, mijn armen een beetje gespreid. De twee staarten in mijn haar wapperen in de wind. Ik schaats in bochten om de kleine kinderen met hun glij-ijzertjes, bewonder een ouder paar dat sierlijk in de pas schaatst en zie dan een leeg stuk ijs. Als ik me buk en hard afzet op het ijs schiet ik vooruit. Aan de ene oever flitst het stadsparkje achter de Wolfertstraat voorbij, aan de andere oever de Schinkelweg.
Dan blijft mijn schaats steken op een dikke rietstengel. Ik schiet met de andere voet ver door, land op mijn rug en het volgende moment voel ik ijskoud water onder mijn kuit. Ik probeer op handen en billen terug te krabbelen, maar het ijs is te glad en ik glijd door naar een wak tussen het riet.
Kleine handen grijpen mijn arm en trekken me terug. Ik kijk om, in de ogen van een meisje van een jaar of acht, mijn eigen leeftijd. Ze glimlacht breed. Haar spierwitte tanden en grote bos zwarte krullen vallen me op. ‘Bedankt’, hijg ik, ‘ik schrok me rot’.
‘Graag gedaan! Heb je pijn?’ Als ik nee schud, draait ze zich om en schaatst in een half rondje om me heen. Haar schaatsen zijn  bruin verkleurd en gescheurd, maar ze is wel snel.
Aan de kant staat een ander meisje strak naar haar te kijken. Ze draagt geen schaatsen, maar rode suède laarsjes. ‘Kom nou, Badia!’ roept ze. ‘Het is allang mijn beurt!’ Ze schopt haar laarzen uit en gaat demonstratief op de sneeuw zitten. ‘Mijn beurt’, herhaalt ze, ‘doe ze nou uit.’

Even later zijn de rollen omgedraaid. Badia zit aan de kant en trekt de rode laarzen over haar voeten, het andere meisje rijdt wankele pirouettes op de stokoude schaatsen.
Ik schuifel verlegen naar Badia toe. ‘Hoi’, zeg ik.
‘Hoi, zegt ze terug. We zijn even stil.
‘Wil je delen?’ vraag ik. Ik steek een van mijn voeten uit om aan te geven wat ik bedoel.
‘Delen?’ Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, dan nemen we allebei één schaats. Leuk joh, dan kan je met je andere voet afzetten op het ijs.’
Haar gezicht klaart op. ‘Ja, goed!’
Als ik naast haar neerplof en de strakke veters van mijn rechterschaats lospeuter, vraagt ze mijn naam. ‘Cat’, zeg ik.
‘Ik heet Badia. Hier, geef maar.’ Mijn rechterschaats wisselt van eigenaar en de rode laarzen gaan aan onze kousenvoeten.  We komen overeind, wiebelen hevig op onze ene schaats, grijpen ons aan elkaar vast en even later hinkelschaatsen we weg.

Na twintig baantjes over de Schinkel kunnen we niet meer.  Badia’s wangen zijn knalrood, ik voel die van mij prikken en gloeien. Fahiha, haar zusje, lacht om ons maar ook zij staat te hijgen op het ijs.
‘Wacht even’, roep ik, en haal mijn leren schoenen op van de overkant. Fahiha is al, zomaar op haar ijzers, de Schinkelweg overgestoken naar een van de smalle, oude huizen die in een rijtje naast elkaar staan.  Badia geeft me mijn andere schaats terug en trekt aan mijn arm. ‘Kom mee naar ons huis, gaan we nana drinken!’
‘Oké!’ antwoord ik, ook al heb ik geen idee wat nana is.
In de kleine hal van hun huis moet ik eerst mijn schoenen uittrekken. Badia loopt me voor naar binnen, verdwijnt in de keuken en komt terug met een paar glazen dampende geelgroene thee. Ik heb nog nooit thee in een glas gezien,  mijn moeder gebruikt altijd gebloemde theekopjes.
De eerste slok van de hete pepermuntthee is een sensatie. Zó zoet en toch zó fris. ‘Lekker!’, roep ik. Badia en Fahiha giechelen. Hun moeder steekt haar hoofd om de keukendeur en glimlacht breed naar me. Een van haar voortanden is glanzend goud. Onder haar geborduurde hoofddoek bungelt een lange donkere vlecht.  ‘Eten?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd. Ze vraagt het nog een paar keer, dringender, gebarend met haar handen. ‘Eten!’
‘Mijn moeder kent niet zoveel Nederlands’, zegt Badia. ‘Ze wil je gewoon een stukje brood geven, wij krijgen ook. ‘ Even later zitten we alle drie met een plat, driehoekig stuk witbrood in onze  handen. Het ruikt zoet en er zit een dikke laag pindakaas op. Met onze tanden scheuren we stukken van de stevige korst.

Als ik een half uur later met een volle buik naar huis ga, hebben we al afgesproken voor morgen. En overmorgen. En ook de dag daarna. Deze winter hoef ik niet meer alleen te schaatsen.