Tagarchief: bovennatuurlijk

Twee winnende verhalen in The Flying Dutch

Hoe trots was ik vandaag, toen ik de post opende en in een grote envelop vijf exemplaren van The Flying Dutch aantrof.

The Flying Dutch is het full color magazine van de Nederlandse Star Trek vereniging, een groep SF-liefhebbers die ook de jaarlijkse schrijfwedstrijd Trek Sagae sponsort. De 2012-editie van deze wedstrijd heb ik gewonnen met twee verhalen. Mike Jansen heeft de derde plaats veroverd. De prijsuitreiking vond dit najaar plaats, en de winnende verhalen zijn deze maand gepubliceerd in een flink middenkatern. Het ziet er geweldig uit. 🙂

Beenderen van de sapiens, nummer 1, speelt zich af in de verre, verre toekomst. Een toekomst waarin de mens op ons terugkijkt zoals wij nu op onze primitieve voorouders. Een toekomst waarin de menselijke natuur nog steeds voor ieder antwoord nieuwe vragen formuleert en waarin de menselijke individualiteit nog steeds springlevend is. De eerste alinea’s van dit verhaal:

Beenderen van de sapiens

Met een zachte kwast veegt Tamerei de laatste resten gruis van het fossiel dat half uit het zand steekt. Een spaakbeen, ellepijp en een aantal fijne botjes van een pols en hand. Homo sapiens, hij is er vrijwel zeker van. Hij heeft zijn team nog niet gewaarschuwd; het is ook nog mogelijk dat de botten van een oud soort mensaap zijn. De typerende vorm van een menselijke duim had hem zekerheid kunnen geven, maar die heeft hij niet kunnen vinden. Nog niet.

Hij kijkt op om er zeker van te zijn dat de beeldbewaarder die boven zijn schouder in de stoffige lucht zweeft actief is. Het is van cruciaal belang dat het apparaat alles registreert. Na jarenlange voorbereidingen wordt dit onherbergzame werelddeel voor het eerst onderzocht. Concurrerende opgravingsteams zijn zuidelijk en westelijk op het continent actief en iedereen wil de beste vondsten doen, de fossielen met het grootste wetenschappelijk belang uit de bodem halen.

Ondanks zijn reusachtige aantallen in het oeroude tijdperk van het holoceen is de homo sapiens nu, meer dan een miljoen jaar later, verrassend moeilijk te vinden.

In prijswinnaar 2, Appelbloesem in de nacht, rijdt een oude man, losgerukt van zijn wortels en alles wat hem dierbaar was, door een nachtelijk, winters bedrijventerrein. Zijn eenzame tocht wordt gedreven door verbittering, tot hij ontdekt dat niets ooit helemaal verloren gaat. Een paar alinea’s uit dit verhaal:

Appelbloesem in de nacht

Buiten is het gestopt met sneeuwen, behalve de poedersneeuw die opgejaagd door de wind van het asfalt opstuift. In de plotselinge stilte krijgen de windvlagen die tegen het busje duwen opnieuw een stem. Ze spelen samen, denkt Gerrit. Maar ze hebben er geen plezier in. Misschien is het geen spel. Ze snauwen en graaien naar elkaar met ruwe, witbeijzelde handen. Hij draait het contactsleuteltje om zodat de stroom van warme lucht uit de roosters in het dashboard weer op gang komt.

Dit is geen plaats voor mensen. Niet nu, niet meer. Misschien overdag, als de contractslaven de parkeerplaatsen bezetten met hun Opels en Audi’s en in pantalons en spijkerbroeken de bedrijfspanden binnenlopen. Hij kan ze gemakkelijk voor zich zien, met de zolen van hun dure leren schoenen en hooggehakte laarzen klikkend over de parkeerplaats, zich onbewust van de begraven schoonheid van deze plek. Zíj horen hier nu thuis. Hij is degene die hier geen plaats heeft. Toch blijft hij zitten.

Heb je zin om de verhalen te lezen, dan zijn er zeker nog exemplaren van het magazine beschikbaar: info@tfd.nl.

flyingdutch dec 2013

Advertenties

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Blozende bloemen wint plaats in verhalenbundel

Mijn verhaal Blozende bloemen, geschreven naar aanleiding van een wedstrijd van uitgever Pamac, is als een van de winnende verhalen uit de bus gekomen. Het verhaal wordt opgenomen in de verhalenbundel met dezelfde naam als de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten.
Een aparte naam voor een schrijfwedstrijd en de resulterende verhalenbundel? Nou en of. Mijn bijdrage is dan ook net zo buitenissig geworden.

De bundel wordt in augustus door Pamac uitgegeven, in gedrukte vorm en wellicht ook als e-book. Mijn complete verhaal is daarin te lezen, maar hier vast een fragment.

Ze verliest bijna haar evenwicht als de deur van de bloemenstal met een zachte klik opengaat. In een reflex grijpt ze naar de deurposten aan weerszijden en stoot hard haar vingers. Ze slaakt een verstikte kreet als ze beseft wat ze doet en dan golft de pijn door haar heen, van haar vingers door haar polsen rechtstreeks naar de traanklieren in haar ogen. Terwijl de tranen over haar wangen rollen ademt ze beverig in en uit.

 Langzaam trekt de pijn weg en komt de wereld weer in focus. Ze staat nog steeds in de deuropening van Blozende Bloemen. De deur staat wijd open en een koude wind blaast regendruppels in haar nek. Twee, drie stappen en dan staat ze midden in de stal, ongeveer op de plek waar vroeger de samengestelde boeketten in een kluitje bij elkaar stonden. Godzijdank kan de wind hier niet komen. In de stal hangt een zware geur van vocht, schimmel en ook van snijbloemen, beseft ze.

Ineens krijgt Leny de zwart-witfoto weer in het oog. De foto is haarscherp, alsof hij gisteren pas is genomen, en het onderwerp is makkelijk te herkennen. Onbegrijpelijk dat ze het van buiten niet zag. Op de foto staat de bloemenstal. Hij moet zijn genomen op een warme en heldere dag. De twee bomen links van de stal zijn een stuk kleiner dan nu en staan vol in het blad. Ze werpen grillige schaduwen over het winkeltje. In de deuropening staat een jonge vrouw. Ze draagt een ouderwetse jurk die op de foto effen grijs lijkt. Rozerood, denkt Leny, en verbaast zich over de gedachte. Die jurk kan elke willekeurige kleur wel hebben gehad. 

Ik hoop dat jullie nieuwsgierig zijn naar de rest! 🙂

Prijswinnend verhaal in tweetalige catalogus

Vandaag bereikte me het leuke bericht dat mijn prijswinnend verhaal Tijd om thuis te komen, geschreven voor de Secret City expositie in Zoetermeer, tweetalig (NL-EN) wordt opgenomen in de catalogus. Stadsmuseum Zoetermeer, waar de fototentoonstelling heeft plaatsgevonden, zal de catalogus uitbrengen. De exposanten, fotograaf Andrew Brooks en zijn partner Andy Brydon, hebben in Engeland en Nederland verborgen of vergeten plekken in allerlei steden vastgelegd op de gevoelige plaat. Het resultaat is boeiend en mysterieus: Zoetermeer heeft er nog nooit zo bijzonder uitgezien.

Eerste plaats in schrijfwedstrijd Secret City

De winnaars van de landelijke schrijfwedstrijd Secret City zijn op Blue Monday, maandag 16 januari, bekendgemaakt in Bibliotheek Zoetermeer. De eerste prijs werd uitgereikt aan… moi.
Mijn winnende verhaal, ‘tijd om thuis te komen‘, is gebaseerd op de kunstfoto van het Buytenpark in Zoetermeer, onderdeel van de fototentoonstelling Secret City in Stadsmuseum Zoetermeer.

Een grote verrassing en nog grotere eer. Sponsor, organisatoren, juryleden en natuurlijk medeschrijvers, hartelijk dank!

Het juryrapport:

“En dan de 1e prijs. De jury heeft niet hoeven discussiëren. Een rond verhaal. Duidelijk geschreven bij de foto van de ruïne. Een prachtige omschrijving van de omgeving. Een mysterieus einde dat de lezer in verwarring achterlaat. Het was de eerste inzending die binnenkwam bij de wedstrijd maar het heeft de juryleden sindsdien niet meer los gelaten. Een verhaal dat gaat over loslaten. Het leven of de dood, dat mag de lezer zelf invullen. Boeiend en prachtig geschreven: Tijd om thuis te komen. Vanwege het pseudoniem wisten de juryleden niet dat het verhaal geschreven is door een bekende van Schrijversschool Zoetermeer. De eerste prijs gaat naar Cat Hil.”

Verhaal: Tijd om thuis te komen

 

Ze staat voor het venstergat in de vervallen muur en sluit haar ogen. Ze denkt aan een ander uitzicht, een ander landschap, met heuvels vol heide, stenen wallen en grazende schapen. Dat uitzicht bestaat nog steeds. Maar het is al zo lang geleden dat ze in haar geboorteplaats was om het te zien. De kleuren kan ze zich nog goed herinneren, het dromerige paars van de heide en de grijsheid van de eeuwige regenwolken. Ze haalt diep adem en kijkt. Gras, braamstruiken, betonblokken met afgesleten hoeken, verspreid tussen de brandnetels. Een hemel die al bloedrood kleurt in het avondlicht. Geen schapen, wel koeien en enkele paarden op een ver weiland. Een kille geur van modder en nat steen vult haar neus, een geur die eeuwen ouder lijkt dan dit natuurpark uit de jaren ’70.

Ze verliest bijna haar evenwicht als haar vingers van de muur glijden. De ruwe bakstenen zijn dikbemost en glibberig. Ze doet een stap naar achteren om haar balans te vinden. Haar regenjas blijft haken aan de doornen van een braamstruik.  Ze trekt de stof voorzichtig los en zoekt haar weg tussen de brandnetels, langs de kleine ruïne en de heuvel op, terug naar het wandelpad. Midden op het pad liggen de resten van een mol. Er is niet veel meer van over dan een grijsverkleurd velletje, in flarden om en over fragiele botjes en een miniem gebit. De klauwen van de mol liggen strak naast elkaar, alsof het dier speciaal in de houding is gaan liggen om te sterven. Ze stapt over het lichaampje heen.

Op het hoogste punt van het pad aarzelt ze. In de verte ziet ze de heldere lichten van Zoetermeer, de plaats waar ze achtenveertig jaar geleden vanuit Engeland is komen wonen. Eerst met haar moeder en nu al heel lang alleen. De hoge woontoren bij winkelcentrum Stadshart en de automobilisten die zich over de Amerikaweg haasten om naar huis te gaan zien er beangstigend uit, te fel, te druk. Ze moet naar huis, maar toch staat ze stil. De donkere leegte van het park achter haar lijkt te fluisteren, te vragen of ze echt weg moet, of ze niet nog even wil blijven.

Abrupt draait ze zich om. In de toenemende duisternis ziet ze niet veel. Behalve daar beneden, halverwege de heuvel, waar de ruïne als een gebroken bot door de huid van de aarde steekt. Een lage muur met enkele venstergaten, veel meer is het niet. Toch doet ook dit beeld haar denken aan het Yorkshire van haar jeugd, aan oude schapenkotten die de moeite van het opbouwen niet meer waard waren en langzaam uit elkaar vielen.  Door het venstergat waar ze zojuist stond zijn nog juist de laatste rode vegen van de zonsondergang zichtbaar. Het licht lijkt te worden geblokkeerd door een gestalte. Een hoekig, mannelijk silhouet met een hoofddeksel. Ze houdt haar adem in. Haar hele leven heeft ze maar één persoon gekend met zo’n vormloze jas, zo’n potsierlijk grote pet met oorkleppen. ‘Papa?’

De gestalte beweegt. Ze knijpt haar ogen half dicht maar het heeft geen nut, ze kan het niet goed zien, het is te donker en de muur staat ervoor. Ze kijkt nog even om naar de bewegende lichtjes van de stad. Ze lijken verder weg dan ooit. Haar voeten bewegen al vóór ze het bewuste besluit heeft genomen om terug te gaan naar de ruïne.
Moeizaam loopt ze door het gras naar beneden. Haar voeten blijven hangen achter de verstrengelde sprieten en de modderige grond is verraderlijk glad. Eindelijk staat ze naast de lage muur. In de verte raast het stadsverkeer, verder is het stil. Ze slikt, doet nog een stap, kijkt achter de muur.

Er is niets. Ze stoot een diepe zucht uit, de adem raspt pijnlijk in haar keel. Met gesloten ogen zakt ze langs de muur naar beneden. Haar zitvlak raakt vrijwel direct doorweekt door het contact met de koude grond.  Als ze een hand langs haar gezicht haalt, voelt ze dat haar wangen ook nat zijn. Een bijgelovige trien die teveel Yorkshire spookverhalen heeft gehoord, dat is ze. Haar verstand het zwijgen opgelegd door de wilde hoop haar vader te zien. Papa, die al bijna vijftig jaar dood is, verdronken in een ijskoude bergstroom, en begraven op het kleine kerkhof naast hun huis in Haworth. Ze schudt haar hoofd en zet haar hand op de grond om op te staan.

‘Emily.’ De stem van papa naast haar. Ze verstijft.
‘Emily, je bent het toch?’ Ze slaat haar ogen op. Naast haar, op de grond, laarzen. Grote, modderige  werklaarzen van stijf leer. Benen in een grijsverwassen tweed broek. Ze kijkt omhoog. Een vormloze jas, een grote pet met oorkleppen. Daaronder het gezicht van haar vader. Het is te donker om de kleur van zijn snor te onderscheiden, maar ze weet dat die donkerblond en rafelig is. Zijn ogen stralen. In het donker zijn ze als een lichtbaken.
Hij glimlacht en steekt zijn hand uit, raakt haar bijna aan, maar houdt op het laatste moment in. ‘Waar was je toch al die tijd? Ik heb gezocht, en gezocht. Je weet toch dat je niet zo laat op de moors mag spelen, dat is gevaarlijk.’  Nu raakt hij haar toch aan. Zijn grote hand rust op haar hoofd, zwaar en geruststellend. ‘Het is tijd om thuis te komen, mama is ongerust.’

Iedere twijfel aan zijn aanwezigheid, zijn overtuigend solide nabijheid, spoelt weg in een golf van emotie. Ze barst in tranen uit. ‘Papa, ik heb je zo gemist. Het spijt me zo, papa, zo erg.’ Met beide handen voelt ze aan zijn benen. Het korrelige leer van de oude werklaarzen en zijn prikkende tweed broekspijpen voelen vochtig maar toch warm aan. Ze kan hem niet aankijken, nog niet.

Haar vader lacht, een zacht rommelend geluid. ‘Zo erg is het toch niet. Kom meisje, het is in orde, papa is niet boos. Als je volgende keer maar vroeger thuiskomt.’
Ze kijkt met een ruk op. ‘Weet je dan niet wat er gebeurd is? Je weet niets?’
Hij is even stil. Zijn snor trilt, alsof hij een glimlach onderdrukt. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Zeg het maar.’
Ze reikt omhoog en pakt zijn hand, wrijft met haar vingers over de eeltige plekken op zijn handpalmen. Zonder woorden begrijpt hij wat ze wil en hurkt naast haar op de grond. Zijn ruwe huid met de rode adertjes op zijn wangen, het netwerk van fijne rimpels naast zijn ogen, zijn lichtblonde wenkbrauwen waar mama altijd grapjes over maakte. Al die kleine details die ze vergeten was maar die zelfs hier in het donker zo onmiskenbaar bij haar vader horen. Haar tranen drogen op haar wangen.

‘Heb je me nog wat te vertellen? Anders gaan we naar huis, ik heb nog stalwerk te doen.’ Een praktische man, haar vader, zelfs nu. ‘Nee papa, je hoeft geen stalwerk te doen.’ Ze aarzelt. ‘Weet je nog dat ik op de moors was gaan spelen? Het was al donker geworden en je ging me zoeken.’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog. Voor hij wat kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ik had een nest fazantenkuikens gevonden.’ Ze ziet de kuikens weer voor zich, hoe schattig ze waren in hun bruingestreepte donsvachtje.  ‘Toen ik zag hoe laat het was ging ik naar huis. Mama was thuis, maar jij niet.’ Ze ziet hem fronsen. Hij doet zijn mond open, maar ze steekt haar hand op en gaat door. ‘Je kwam niet thuis. De volgende dag, toen het licht was, hebben ze je lichaam gevonden in de rivier. Ze zeiden dat je in de Don moet zijn gevallen toen het te donker was om te zien waar je liep. Ze zeiden dat het water te koud was en dat je geen schijn van kans had. Dat is wat ze zeiden. Achtenveertig jaar geleden.’ Ze kijkt hem strak aan. ‘Begrijp je het? Je bent dood.’

Hij zwijgt. Ze weet niet wat ze nog meer kan zeggen. Dat het haar schuld was? Ze opent haar mond, maar de woorden willen niet komen. Haar vader beweegt. Hij steekt zijn hand uit, beweegt zijn vingers en kijkt er aandachtig naar. ‘Ik voel me niet dood.’ Hij kijkt haar schuin aan. De rimpels om zijn ogen zijn dieper geworden en zijn snor trilt niet meer, maar is gekruld in een geamuseerde glimlach. Met een gevoel van ongeloof beseft ze dat ze geïrriteerd raakt, haar dode vader neemt haar niet serieus.

Als zijn blik zich vestigt op haar schouders en zijn glimlach verdwijnt, merkt ze dat ze heftig zit te rillen. Ze haar schouders op. ‘Het is koud, ik heb mijn jas in de auto laten liggen.’
Hij geeft geen antwoord, maar haalt een aansteker uit zijn jaszak, dezelfde dofmetalen aansteker die ze zich van vroeger herinnert. ‘Kom hier met je handen.’ Ze houdt haar handen in een kommetje om de vlam. De warmte voelt troostend aan. Hij drukt de aansteker in haar hand, schudt zijn jas uit en legt die om haar schouders. De jas is nog even groot als toen ze een kind was; de schouders hangen bijna tot op haar ellebogen. Dan neemt hij de aansteker weer van haar over en houdt hem stil, zodat ze haar handen verder kan opwarmen. Langzaam ontspant ze. Het zachte licht speelt over het gezicht van haar vader, zijn wollen trui en het regelmatige reliëf van zijn tweed broek. Zijn adem vormt wolkjes in de koude lucht.

Ze weet niet hoe lang het duurt voor een van hen weer spreekt. Haar vader schraapt zijn keel. ‘Het is mooi geweest. Kom liefje, we gaan naar huis. Ik weet zeker dat mama het eten allang klaar heeft.’ Ze perst haar lippen op elkaar. Ze moet het hem duidelijk maken. Er is geen mama, geen eten, geen thuis.
‘Zie je dan niet dat ik geen kind meer ben? Kijk naar me!’ Ze gebaart naar haar lichaam, maar haar stevige benen in de bruinkatoenen broek en de sportieve wandelschoenen zijn er niet meer. In plaats daarvan ziet ze dunne kinderbeentjes in een maillot, een wollen rok en hoge rubberen laarzen. Geel. Het geel van de laarzen die ze voor haar negende verjaardag kreeg.

Haar vader staat op en steekt zijn hand uit. ‘Ga je mee?’ Ze kijkt omhoog. Het is volledig donker. Aan de zwarte lucht twinkelen wat sterren. Geen blinkende woontoren in de verte. Geen verkeersgeluiden. Wel, ver weg, het  ruisen van een bergstroom. Ze hoort de roep van een opfladderende fazant. De veren op zijn vleugels weerkaatsen het maanlicht.
Als ze de hand van haar vader pakt en opspringt, begint ze hardop te lachen. Hij glimlacht terug, draait zich om en begint te lopen. Ze volgt. Het koude lichaam dat achterblijft bij de muur keurt ze geen blik waardig. Met gespreide armen rent ze haar vader voorbij, de met heide begroeide heuvels op.  Ze kent de weg naar huis. Het is tijd, hoog tijd om thuis te komen.

—————————————–

Dit verhaal heeft de eerste prijs gewonnen in de landelijke schrijfwedstrijd Secret City.