Pijnlijke overwinning

Vanochtend heel vroeg prijkte een mail van de organisator van de Trek Sagae 2012 schrijfwedstrijd in mijn mailbox. Ik was nog duf van de slaap, maar niet zo duf dat het bericht me ontging dat ik met mijn twee ingezonden verhalen zowel de eerste als de tweede prijs had gewonnen.
Een ongelooflijke eer voor een genrewedstrijd als deze, gericht op sf, fantasy en horror – onderwerpen die een bijzondere uitdaging vormen omdat ze de normale kaders en natuurlijke grenzen waarin de schrijver zich beweegt grotendeels wegslaan.

Het meest complete en zorgvuldige juryrapport dat ik ooit heb gelezen completeerde de mail. Organisator Dirk Bontes van Pure Fantasy, sponsor The Flying Dutch en de vakkundige jury met bekende namen; Chris Vroomen,  Remco van Straten, Esther Scherpenisse, Femke Dekker, Linda Mulders en Taïs Teng, hebben al met al een indrukwekkend staaltje werk geleverd.
Het is de tweede editie van deze wedstrijd en in mijn opinie voor alle aspirant schrijvers bijzonder interessant om aan deel te nemen. Volgend jaar is er vast een nieuwe editie en dus een nieuwe kans voor iedereen.
Mijn verhalen, Botten van de sapiens en Appelbloesem in de nacht, worden wellicht gepubliceerd in een van de komende uitgaven van SF-magazine The Flying Dutch. Als dat gebeurt, laat ik het hier weten.

Natuurlijk ben ik blij, trots en ook wel nederig, aangezien ik in het juryrapport heb gezien wat voor fantastische en originele ideeën de andere schrijvers hebben verwerkt in hun verhalen.

Maar toch. Nog geen drie uur later hoorde ik op kantoor dat de ziekte van een geliefde collega is gediagnosticeerd als terminaal. Een collega die we al vele jaren kennen, iemand die zich stil en rustig door de gangen beweegt,  die precies weet waar alles ligt in zijn grote kamer vol schermen en kabels, die je met een kleine grimlach vakkundig helpt bij kleine en grote vraagstukken, iemand die zacht spreekt maar goede dingen zegt. Een korte man met een groot karakter.

Deze schrijfoverwinning is heel speciaal voor me, maar toch nog niet zo speciaal als de gezondheid van mijn collega. Kon ik hem maar beter schrijven.

purefantasy

Advertenties

Vrouwenquillerz deel 3

Ik hou wel van die donkere boekomslagen, jullie ook? Dit is een verhalenbundel van Vrouwenthrillers, de derde alweer, samengesteld uit een selectie van de beste verhalen op hun site. Een van die verhalen is door mij geschreven; Interview in de tropen. De gedrukte bundel is te koop, maar ook kosteloos als ebook verkrijgbaar.

Afbeelding

Over verhaal Kantoorpolitiek

Een schrijfsite waar ik regelmatig kom, Boekvoorhaar.nl, heeft kortgeleden een schrijfoefening/wedstrijd gepubliceerd: Schrijf een verhaal in de stijl van Stephen King. Heerlijk inspirerend voor een Kingbewonderaar als ik!
Voor de mensen die het niet weten: King schrijft zeker niet alleen horror, hoewel er wel altijd spanning in zijn werk zit. Zijn Donkere Torenserie, categorie fantasy, wordt wel zijn meesterwerk genoemd en staat ook bij mij in de kast.

Enfin, er zijn genoeg spannende en/of griezelige elementen in het dagelijks leven te vinden. Mijn (overigens ontzettend fijne) vorige werkgever Horticoop heeft in het bedrijfspand een stikdonker magazijn met ergens in een hoekje een Abrahampop op een kruk. Ik wachtte altijd krampachtig voor het licht in het magazijn aansprong voor ik een stap over de drempel zette. 🙂 Vinden jullie die realistische Abraham- en Sarahpoppen ook zo eng en misschien wel zo typisch King? Ik ben benieuwd wat jullie van mijn verhaal vinden, laat het weten.

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Zo geef en ontvang je feedback op verhalen, artikelen en andere teksten

 

Als je graag schrijft, of vrienden, familie en kennissen hebt die schrijven, dan ken je vast deze vraag: ’Wat vind je van mijn tekst, opstel, artikel of verhaal? Eerlijk zeggen, hoor.’

Het kan heel moeilijk zijn om nuttig, kritisch en opbouwend commentaar op andermans teksten te geven. Niet alleen omdat je de schrijver niet wil kwetsen, maar ook omdat het lastig is om exact te bepalen waarom je een tekst wel of niet goed vindt.
Precies om die reden is het ook moeilijk om bruikbaar commentaar op je eigen schrijfwerk te ontvangen. Het leest wel/niet lekker, het boeit me niet, wel leuk, dat zijn vaagheden waar een schrijver niet goed mee uit de voeten kan.

Hoe geef je feedback, of anders gezegd commentaar dat de schrijver gericht kan gebruiken om zijn/haar tekst te verbeteren?
En hoe ontvang je feedback op je eigen schrijfwerk? Welke vragen kun je stellen om er achter te komen hoe mensen je tekst nu eigenlijk echt ervaren?

In dit artikel doe ik uit de doeken hoe je gericht en respectvol feedback kunt geven op andermans schrijfwerk, en hoe je zelf om gerichte feedback kunt vragen.

Gedeelde tweede plaats prijsuitreiking schrijfwedstrijd op Manuscripta

De prijsuitreiking van de Azra magazine/uitgeverij Parelz schrijfwedstrijd heeft een winnaar en een gedeelde tweede prijs (twee eervolle vermeldingen) opgeleverd. Een grote eer voor me om te kunnen melden dat ik met mijn verhaal Groene Vingers een van die twee eervolle vermeldingen in de wacht heb kunnen slepen.

Het (overigens geweldige) winnende verhaal en mijn verhaal zijn te vinden in Azra Magazine nr. 4, samen met meer verhalen en aansprekende artikelen, o.a. over de vraag ‘schrijfwedstrijden, de weg naar succes of niet?’ Dit magazine is absoluut een aanrader, ik ben van plan het in de toekomst vaker aan te schaffen.

Verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten is verkrijgbaar

De verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten, het tastbare resultaat van een schrijfwedstrijd van uitgeverij Pamac, verschijnt half september. Mijn verhaal, Blozende bloemen, staat er ook in. 🙂  Het is een verhaal van het type waar ik zelf graag van smul, een vertelling over onverklaarbare gebeurtenissen die leiden tot liefde en nieuwe kansen.
Hieronder een paar alinea’s uit het verhaal. Heb je zin om het boek te bestellen, dan vind ik dat natuurlijk enorm leuk! Je kunt de bestelling via mij doen.

—————-

Fragment uit Blozende bloemen

Dan staat ze stil. Ze kijkt rond, naar de bloemen, de planten, het witgeschilderde en volle interieur van de bloemenstal. Naar haar handen, die nog steeds glad, zacht en pijnloos zijn. Ze buigt haar hoofd en bestudeert haar slanke enkels en rechte voeten, in damesschoenen met kleine hakken en riempjes over de wreef die haar doen denken aan de mode in haar jeugd. Om haar kuiten golft een wijde katoenen jurk.
Rozerood.
Ze doet een paar stappen naar de deuropening en kijkt naar buiten. De emmer en boodschappentrolley zijn verdwenen, maar verder lijkt alles hetzelfde. Alle gebouwen staan er net als altijd; de appartementen aan de overkant en de bijna identieke lage flats die zich honderden meters aan weerszijden herhalen. Toch ziet het bruine baksteen van de woningen er anders uit, lichter, schoner misschien.
Ineens dringt het tot haar door. Het grote verschil. Ze hoort vogels tsjilpen, de wind waaien en nu ze goed luistert ook het hoge lachen van spelende kinderen in de verte. Wat ze niet hoort is het onophoudelijke razen van automotoren dat al tientallen jaren tegen de gevels kaatst.
Of toch: een pruttelend geronk verbreekt de stilte en wordt langzaam luider, tot een zwarte auto de hoek omdraait en in een rustig tempo de bloemenstal voorbijrijdt. Ze heeft geen verstand van auto’s, maar dit is duidelijk een fraaie oldtimer, zo glanzend dat hij nieuw lijkt. De vrouw op de passagiersstoel glimlacht en steekt een hand op. Ze heeft een sjaaltje over haar hoofd gebonden, maar niet zo strak als de hoofddoek van Leny’s Marokkaanse bovenbuurvrouw. Dit is een mondain glanzend doekje van pastelblauwe zijde en lijkt bedoeld te zijn om de blonde watergolfkrullen die eronder vandaan piepen, te beschermen tegen de wind. Opnieuw moet ze denken aan haar jeugd. Haar moeder had een aantal van zulke sjaaltjes, en zijzelf ook. Nog steeds, trouwens.
Weer komt er een auto voorbijrijden, opnieuw zo’n oldtimer in prachtige conditie, hoewel deze er gebruikt en wat stoffig uitziet. Leny staart hem na. Uiteindelijk draait ze zich om, loopt weer naar binnen en zoekt met haar ogen naar de foto aan de muur. Hij is weg. Waar de foto hing, hangt nu een ronde handspiegel met zijn steel aan een spijker.
Leny komt dichterbij. Het verbaast haar niet eens in de spiegel te zien dat haar wangen glad en rond zijn, haar ogen groot en helder en haar huid zacht en blozend als een perzik. Wie de spiegel weerkaatst weet ze niet, maar het is niet haar vertrouwde gezicht dat ze in 82 jaar oud en rimpelig heeft zien worden.