Categorie archief: verhaal

Wolf en een beetje Roodkapje

Dat arme oude vrouwtje, denkt Wolf. Hij ziet het blije gezicht van Roodkapjes oma al voor zich als hij haar straks zijn zelfgeplukte margrieten komt brengen. Oude mensen zijn eenzaam, dat weet iedereen. En ze is nog ziek ook. Een bloemetje of drie nog, dan is het wel genoeg.

Met de margrieten tussen zijn voetkussentjes geklemd staat hij even later voor een klein huis van witgeschilderd baksteen, midden in het bos. Daar woont ze. De kanten gordijnen voor de ramen zijn gesloten. Roodkapje is er nog niet, die heeft hij zojuist op een open plek zien zitten met een knul. Hij liet zich maar niet zien, maar hij hoorde haar wel zeggen dat ze niet lang kon blijven, omdat ze haar zieke oma boodschappen moest brengen. Naast haar op het mos stond een enorme shopper van de Lidl. Toen Wolf wegsloop zag hij nog net hoe ze een zak mini-Snickers uit de tas trok.

Hij heft een harige klauw en tikt met zijn nagel op de deur.
‘Wie is daar?’ Oma klinkt zwak, beverig.
‘Ik ben het, Roodkapje!’ antwoordt hij ondeugend met een hoge stem. Hij moet er zachtjes om  giechelen. Wat zal ze opkijken.
De krachteloze stem van Oma klinkt opnieuw. ‘Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.’
Wolf pakt het rafelige touwtje dat uit de brievenbus hangt en trekt. De deur zwaait piepend open. Met één grote sprong staat Wolf midden in de kamer, vlak naast het ziekbed van Oma. ‘Tadáááá!’ schreeuwt hij met een brede lach, zijn voorpoten kolderiek gespreid.

Maar er is iets mis, het klinkt niet als tadáááá, het klinkt als een grauw. Oma verbleekt. Ze grijpt de karaf water van het nachtkastje en gooit die tegen zijn snuit. Wolf krimpt in elkaar van de pijn.
‘Niet doen!’roept hij, maar dan staat ze al voor hem en slaat hem met een zware bijbel links en rechts op zijn kop. ‘Wég!’ schreeuwt ze almaar, ‘wég beest, wég, wég!’
Wolf valt schuin tegen het harde voeteneind van het bed en zoekt om zich heen naar een uitweg, maar de deur is dicht. Oma staat vlak voor hem en hij kan nergens heen. Haar klappen lijken harder en harder te worden, hij hoort haar raspend uitademen bij iedere slag. Zwarte en rode vlekken dansen voor zijn ogen. Hij jankt en huilt tot zijn muil steeds verder opengaat, almaar wijder, en hij voelt de bijbel en de bottige handen van Oma tegen zijn tanden en dan slaan zijn kaken dicht.

Het is stil in het huisje. Oma is verdwenen. Wolf kijkt omlaag naar zijn buik, die zwaar en rond aan  zijn romp hangt. De margrieten liggen vertrapt op de roodgevlekte vloerlatten. Wolf gaat op de rand van het lege bed zitten en slaat zijn klauwen voor zijn ogen.

Advertenties

Blozende bloemen wint plaats in verhalenbundel

Mijn verhaal Blozende bloemen, geschreven naar aanleiding van een wedstrijd van uitgever Pamac, is als een van de winnende verhalen uit de bus gekomen. Het verhaal wordt opgenomen in de verhalenbundel met dezelfde naam als de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten.
Een aparte naam voor een schrijfwedstrijd en de resulterende verhalenbundel? Nou en of. Mijn bijdrage is dan ook net zo buitenissig geworden.

De bundel wordt in augustus door Pamac uitgegeven, in gedrukte vorm en wellicht ook als e-book. Mijn complete verhaal is daarin te lezen, maar hier vast een fragment.

Ze verliest bijna haar evenwicht als de deur van de bloemenstal met een zachte klik opengaat. In een reflex grijpt ze naar de deurposten aan weerszijden en stoot hard haar vingers. Ze slaakt een verstikte kreet als ze beseft wat ze doet en dan golft de pijn door haar heen, van haar vingers door haar polsen rechtstreeks naar de traanklieren in haar ogen. Terwijl de tranen over haar wangen rollen ademt ze beverig in en uit.

 Langzaam trekt de pijn weg en komt de wereld weer in focus. Ze staat nog steeds in de deuropening van Blozende Bloemen. De deur staat wijd open en een koude wind blaast regendruppels in haar nek. Twee, drie stappen en dan staat ze midden in de stal, ongeveer op de plek waar vroeger de samengestelde boeketten in een kluitje bij elkaar stonden. Godzijdank kan de wind hier niet komen. In de stal hangt een zware geur van vocht, schimmel en ook van snijbloemen, beseft ze.

Ineens krijgt Leny de zwart-witfoto weer in het oog. De foto is haarscherp, alsof hij gisteren pas is genomen, en het onderwerp is makkelijk te herkennen. Onbegrijpelijk dat ze het van buiten niet zag. Op de foto staat de bloemenstal. Hij moet zijn genomen op een warme en heldere dag. De twee bomen links van de stal zijn een stuk kleiner dan nu en staan vol in het blad. Ze werpen grillige schaduwen over het winkeltje. In de deuropening staat een jonge vrouw. Ze draagt een ouderwetse jurk die op de foto effen grijs lijkt. Rozerood, denkt Leny, en verbaast zich over de gedachte. Die jurk kan elke willekeurige kleur wel hebben gehad. 

Ik hoop dat jullie nieuwsgierig zijn naar de rest! 🙂

Lekker bekkie

De oude heer zit in een leunstoel. Niet rechtop, maar schuin naar de vrouw rechts van hem gebogen, die onderuitgezakt in een rolstoel zit. Hij houdt haar kleine hand in zijn beide handen en wrijft er over. Zachtjes maar onophoudelijk gaan zijn vingers over haar gevlekte huid. Alsof hij de levenslust erin terug wil wrijven.
Zij kijkt niet naar hem. Soms heft ze haar hoofd met de keurige witte watergolfkrullen en zegt iets: ‘Het duurt lang, hè?’, of ‘Ze lopen daar alsmaar rond’, of ‘We blijven vanavond toch niet lang weg?’
Hij glimlacht en knikt naar haar. ‘Nee hoor, we blijven echt niet lang weg’. Hij brengt haar hand omhoog en kust hem.
Hij weet zeker dat ze niet lang wegblijven, of eigenlijk: dat ze helemaal niet weggaan. De oude heer en de oude mevrouw wonen in een gesloten afdeling en blijven daar. Binnen, in de grote betegelde kamers met kleedjes op de tafels en een televisie die altijd staat te blèren, of buiten op het kleine balkon als het warm genoeg is.
Ze hoort zijn antwoord niet, dat kan ze niet, ze is stokdoof. Maar ze ziet zijn glimlach en die stelt haar gerust. De alertheid zakt langzaam weg uit haar blauwe ogen. Haar blik is doelloos gericht op het doorzichtige kunststof tafelblad dat op de rolstoel is gemonteerd. Het blad is nuttig, de verzorgers kunnen er haar voedsel en drinken opzetten. Het is sterk genoeg om op te leunen en is bovendien stevig vastgemaakt, zodat ze niet kan opstaan uit de rolstoel, ronddwalen en vallen. Er zitten vetvlekken op. Door het blad heen is haar beige pantalon zichtbaar,  helemaal schoon en kreukvrij.

‘Negentienhoeveel is het?’ vraagt hij aan haar kleindochter, die op een te hoge zadelkruk aan haar andere kant zit. ‘Al 2012? Dan ben ik, even nadenken, ik ben van 1918, tachtig plus twaalf, twee, dan ben ik al 94 jaar. Hoe heb ik zo oud kunnen worden? Dat had ik nooit kunnen denken, ongelooflijk’. Hij kijkt naar zijn metgezellin, haalt zijn rechterhand van de hare en streelt haar schouder. ‘En zij is dan 92, want ze is twee jaar jonger dan ik.’
Hij is even stil en glimlacht dan weer, een brede glimlach die een rechte, blanke rij kunsttanden toont. ‘We hebben mekaar op het kerkhof ontmoet. Zij was al weduwe en ik had ook al twee vrouwen begraven. We zochten mekaar daarna  weer op, op zoek naar gezelschap, hè? En we zijn altijd samen gebleven.’ Opnieuw een handkus. ‘Omdat we nog samen zijn ben ik toch wel gelukkig. Als we maar bij mekaar zijn.’
De oude dame heeft geen aandacht voor hem of voor zijn liefdevolle behandeling van haar linkerhand. Haar eigen opmerkingen komen met grote tussenpozen en hebben geen relatie tot zijn woorden. ‘De kinderen zijn nog thuis’, zegt ze, en laat opnieuw haar hoofd zakken.
Hij praat er doorheen. ‘Welk jaar is het? 2012? Dan ben ik, even rekenen hoor. Ik ben dan 94 jaar oud! Wat een leeftijd. En zij is 92, want ze is twee jaar jonger.’ Hij neemt haar hand nog wat steviger tussen de zijne en aait, streelt, wrijft. ‘We ontmoetten elkaar in het zwembad, daar gingen we altijd zwemmen en dan praatten we wat na.’
‘De Waterthor, toch, bij de Thorbeckelaan?’ probeert haar kleindochter, voor wie het verhaal niet nieuw is. ‘Die staat er nog steeds.’
Hij knikt vaag. ‘Ja, ja’.

De oude mevrouw heft haar hoofd, zegt weer wat en zakt weer ineen. De kleindochter heeft het niet verstaan. Ze buigt zich vanaf haar zadelkruk omlaag naar het plastic blad van de rolstoel, zo ver dat ze haar grootmoeder recht aan kan kijken. Die kijkt terug, met ogen die groter lijken dan ooit en zo onbevangen als die van een klein meisje. De kleindochter glimlacht, maar zegt niets. Ze heeft geen woorden meer die kunnen aankomen, ze zouden terugrollen als knikkers tegen een muur zonder holte.

Dan beweegt de oude vrouw. Ze heft een verrassend stabiele hand en legt hem tegen de wang van haar kleindochter. Glimlachend en met heldere stem zegt ze twee duidelijke verstaanbare woorden: ‘Lekker bekkie’.
Dan zakt haar hand weer, en met haar hand zakt ook haar hoofd. Haar blik is weer leeg en even later lijkt ze te slapen. De oude heer en de kleindochter kijken elkaar aan, tot zij zich bukt om een papieren zakdoekje in haar tas te zoeken.

Verhaal: Schaatsen op de Schinkel

Mijn schaatsen bungelen aan mijn hand. Ik loop zo snel dat ze heen en weer zwaaien. De  punten van de ijzers prikken bij iedere zwaai in mijn bovenbeen. Als de beschermers er nog omheen hadden gezeten was dat niet zo pijnlijk geweest, maar die draag ik in mijn andere hand. Ik stop niet om ze vast te maken, daar heb ik geen tijd voor. Ik ga schaatsen!

De Schinkel is stijfbevroren. De brede sloot krioelt van kinderen in felgekleurde jacks en volwassenen met wollen sjaals. We wonen hier nog niet zo lang en ik ken niemand. Ik ga zitten op de kant, trek mijn oude leren schoenen uit en probeer mijn voeten in de schaatsen te krijgen. Het lukt niet, de veters zitten nog helemaal strak. Terwijl ik veter voor veter lostrek voel ik de eerste steken van de vrieskou in mijn tenen. Snel nou, los met die dingen.
De kunstschaatsen zijn tweedehands maar bijna nieuw,  het leer is nog stug en mooi wit. Eindelijk lukt het me mijn voeten erin te wurmen. Ik rijg en strik de onhandig lange veters, denk aan de instructies van mijn moeder – ‘goed strak, Cat!’, maak ze los en strik ze opnieuw.
Dan sta ik wankelend op. Ik kijk naar de andere schaatsers,  vooral naar de voeten van de meisjes en hun moeders. Sommige meisjes dragen schaatsen die zo vergeeld zijn dat ze beige lijken. Ik heb een vergenoegd soort medelijden met ze.

Ik zet af en zwier over het ijs, mijn armen een beetje gespreid. De twee staarten in mijn haar wapperen in de wind. Ik schaats in bochten om de kleine kinderen met hun glij-ijzertjes, bewonder een ouder paar dat sierlijk in de pas schaatst en zie dan een leeg stuk ijs. Als ik me buk en hard afzet op het ijs schiet ik vooruit. Aan de ene oever flitst het stadsparkje achter de Wolfertstraat voorbij, aan de andere oever de Schinkelweg.
Dan blijft mijn schaats steken op een dikke rietstengel. Ik schiet met de andere voet ver door, land op mijn rug en het volgende moment voel ik ijskoud water onder mijn kuit. Ik probeer op handen en billen terug te krabbelen, maar het ijs is te glad en ik glijd door naar een wak tussen het riet.
Kleine handen grijpen mijn arm en trekken me terug. Ik kijk om, in de ogen van een meisje van een jaar of acht, mijn eigen leeftijd. Ze glimlacht breed. Haar spierwitte tanden en grote bos zwarte krullen vallen me op. ‘Bedankt’, hijg ik, ‘ik schrok me rot’.
‘Graag gedaan! Heb je pijn?’ Als ik nee schud, draait ze zich om en schaatst in een half rondje om me heen. Haar schaatsen zijn  bruin verkleurd en gescheurd, maar ze is wel snel.
Aan de kant staat een ander meisje strak naar haar te kijken. Ze draagt geen schaatsen, maar rode suède laarsjes. ‘Kom nou, Badia!’ roept ze. ‘Het is allang mijn beurt!’ Ze schopt haar laarzen uit en gaat demonstratief op de sneeuw zitten. ‘Mijn beurt’, herhaalt ze, ‘doe ze nou uit.’

Even later zijn de rollen omgedraaid. Badia zit aan de kant en trekt de rode laarzen over haar voeten, het andere meisje rijdt wankele pirouettes op de stokoude schaatsen.
Ik schuifel verlegen naar Badia toe. ‘Hoi’, zeg ik.
‘Hoi, zegt ze terug. We zijn even stil.
‘Wil je delen?’ vraag ik. Ik steek een van mijn voeten uit om aan te geven wat ik bedoel.
‘Delen?’ Ze kijkt me verbaasd aan.
‘Ja, dan nemen we allebei één schaats. Leuk joh, dan kan je met je andere voet afzetten op het ijs.’
Haar gezicht klaart op. ‘Ja, goed!’
Als ik naast haar neerplof en de strakke veters van mijn rechterschaats lospeuter, vraagt ze mijn naam. ‘Cat’, zeg ik.
‘Ik heet Badia. Hier, geef maar.’ Mijn rechterschaats wisselt van eigenaar en de rode laarzen gaan aan onze kousenvoeten.  We komen overeind, wiebelen hevig op onze ene schaats, grijpen ons aan elkaar vast en even later hinkelschaatsen we weg.

Na twintig baantjes over de Schinkel kunnen we niet meer.  Badia’s wangen zijn knalrood, ik voel die van mij prikken en gloeien. Fahiha, haar zusje, lacht om ons maar ook zij staat te hijgen op het ijs.
‘Wacht even’, roep ik, en haal mijn leren schoenen op van de overkant. Fahiha is al, zomaar op haar ijzers, de Schinkelweg overgestoken naar een van de smalle, oude huizen die in een rijtje naast elkaar staan.  Badia geeft me mijn andere schaats terug en trekt aan mijn arm. ‘Kom mee naar ons huis, gaan we nana drinken!’
‘Oké!’ antwoord ik, ook al heb ik geen idee wat nana is.
In de kleine hal van hun huis moet ik eerst mijn schoenen uittrekken. Badia loopt me voor naar binnen, verdwijnt in de keuken en komt terug met een paar glazen dampende geelgroene thee. Ik heb nog nooit thee in een glas gezien,  mijn moeder gebruikt altijd gebloemde theekopjes.
De eerste slok van de hete pepermuntthee is een sensatie. Zó zoet en toch zó fris. ‘Lekker!’, roep ik. Badia en Fahiha giechelen. Hun moeder steekt haar hoofd om de keukendeur en glimlacht breed naar me. Een van haar voortanden is glanzend goud. Onder haar geborduurde hoofddoek bungelt een lange donkere vlecht.  ‘Eten?’ vraagt ze. Ik schud mijn hoofd. Ze vraagt het nog een paar keer, dringender, gebarend met haar handen. ‘Eten!’
‘Mijn moeder kent niet zoveel Nederlands’, zegt Badia. ‘Ze wil je gewoon een stukje brood geven, wij krijgen ook. ‘ Even later zitten we alle drie met een plat, driehoekig stuk witbrood in onze  handen. Het ruikt zoet en er zit een dikke laag pindakaas op. Met onze tanden scheuren we stukken van de stevige korst.

Als ik een half uur later met een volle buik naar huis ga, hebben we al afgesproken voor morgen. En overmorgen. En ook de dag daarna. Deze winter hoef ik niet meer alleen te schaatsen.

Verhaal: mee met mama

Mieneke staat nog buiten! De maartse bui roffelt tegen de ramen, druppels stromen in riviertjes naar beneden. Hoe kán ze die kleine zijn vergeten! De kap van de kinderwagen zal de regen niet lang tegenhouden. Zo snel ze kan rent Corry naar de achterkant van het huis. Het duurt veel te lang, de gang lijkt eindeloos, dat oude huis is ook zo groot. Ma zei al dat ze nog veel te leren had over het moederschap, en ja hoor, bij de eerste de beste regenbui vergeet ze dat haar baby in de tuin ligt te slapen. Haar eigen lieve meisje. Corry’s keel wordt dik en pijnlijk.

Haar benen trillen van de inspanning. Ze struikelt over de ongelijke tegelvloer en komt met een klap tegen de tuindeur aan. Dwars door de dikke druppels op de ruit ziet ze de kinderwagen op het plaatsje staan. De donkerblauwe kap lijkt glimmend zwart door alle nattigheid. De dekentjes bewegen schokkerig, er komt een roze armpje onder de kap vandaan, de vingertjes krampachtig gestrekt in onhoorbaar huilen.

‘Ik kom eraan Mieneke, stil maar, mama komt al!’ Corry draait aan de deurknop, maar de deur blijft dicht. Ze draait nog eens, rukt aan de knop, slaat op de ruit. Haar kin begint te bibberen. ‘Ik kom eraan, stil maar, ik kom eraan!’ Ze schreeuwt het uit, rammelt aan de deur. ‘Ik kom eraan…’ Haar stem breekt. Ze slaat nog een keer tegen de deur en blijft staan, haar voorhoofd tegen de ruit gedrukt. Het glas wordt wazig door haar tranen.

‘Mevrouw Vaassen? Corry?’ Ze kijkt op. Naast haar staat een jonge vrouw met een mollig gezicht. Ze houdt een blonde baby in een pluizig dekentje omhoog. ‘Hier, uw kindje. Ga haar maar knuffelen, dat vindt ze vast fijn’.
Corry’s ogen worden groot. Ze aarzelt. Dan glimlacht ze, opgelucht. Ach ja, Mieneke ís helemaal niet buiten. De kinderjuf paste op haar. Ze bedankt de jonge vrouw, maar op een of andere manier klinken haar woorden niet helemaal goed. Het geeft niet. Voorzichtig neemt ze het bundeltje over. Denk om het nekje, goed ondersteunen. De blauwe ogen van de kleine Mieneke staan wijd open. Corry wiegt het kindje zachtjes heen en weer. Kom maar schatje, mee met mama.

Prya blijft nog even kijken of de oude dame wel goed terugkomt in haar kamer. Soms blijft ze na zo’n emotionele uitbarsting een paar dagen erg verward. Haar collega’s in de kantine van psychogeriatrische zorggroep Hibiscus hadden het er al over: ‘Het gaat regenen, dat wordt weer gedoe met mevrouw Vaassen. Houd haar babypop maar in de buurt.’
Langzaam schuifelt mevrouw Vaassen haar slaapkamer in. Ze drukt de plastic baby in het wollen dekentje stevig tegen zich aan. Haar gezicht straalt. Prya wacht nog even voor de zekerheid, wendt zich dan af en controleert de gesloten glazen deur naar het balkon. Geen beschadigingen, gelukkig heeft de oude vrouw niet veel kracht in haar handen.
Het wordt even wat lichter en ze kijkt omhoog. Tussen de hoge gebouwen aan de overkant is een stukje hemel zichtbaar, nog grijs, maar het klaart al op.

Verhaal: Tijd om thuis te komen

 

Ze staat voor het venstergat in de vervallen muur en sluit haar ogen. Ze denkt aan een ander uitzicht, een ander landschap, met heuvels vol heide, stenen wallen en grazende schapen. Dat uitzicht bestaat nog steeds. Maar het is al zo lang geleden dat ze in haar geboorteplaats was om het te zien. De kleuren kan ze zich nog goed herinneren, het dromerige paars van de heide en de grijsheid van de eeuwige regenwolken. Ze haalt diep adem en kijkt. Gras, braamstruiken, betonblokken met afgesleten hoeken, verspreid tussen de brandnetels. Een hemel die al bloedrood kleurt in het avondlicht. Geen schapen, wel koeien en enkele paarden op een ver weiland. Een kille geur van modder en nat steen vult haar neus, een geur die eeuwen ouder lijkt dan dit natuurpark uit de jaren ’70.

Ze verliest bijna haar evenwicht als haar vingers van de muur glijden. De ruwe bakstenen zijn dikbemost en glibberig. Ze doet een stap naar achteren om haar balans te vinden. Haar regenjas blijft haken aan de doornen van een braamstruik.  Ze trekt de stof voorzichtig los en zoekt haar weg tussen de brandnetels, langs de kleine ruïne en de heuvel op, terug naar het wandelpad. Midden op het pad liggen de resten van een mol. Er is niet veel meer van over dan een grijsverkleurd velletje, in flarden om en over fragiele botjes en een miniem gebit. De klauwen van de mol liggen strak naast elkaar, alsof het dier speciaal in de houding is gaan liggen om te sterven. Ze stapt over het lichaampje heen.

Op het hoogste punt van het pad aarzelt ze. In de verte ziet ze de heldere lichten van Zoetermeer, de plaats waar ze achtenveertig jaar geleden vanuit Engeland is komen wonen. Eerst met haar moeder en nu al heel lang alleen. De hoge woontoren bij winkelcentrum Stadshart en de automobilisten die zich over de Amerikaweg haasten om naar huis te gaan zien er beangstigend uit, te fel, te druk. Ze moet naar huis, maar toch staat ze stil. De donkere leegte van het park achter haar lijkt te fluisteren, te vragen of ze echt weg moet, of ze niet nog even wil blijven.

Abrupt draait ze zich om. In de toenemende duisternis ziet ze niet veel. Behalve daar beneden, halverwege de heuvel, waar de ruïne als een gebroken bot door de huid van de aarde steekt. Een lage muur met enkele venstergaten, veel meer is het niet. Toch doet ook dit beeld haar denken aan het Yorkshire van haar jeugd, aan oude schapenkotten die de moeite van het opbouwen niet meer waard waren en langzaam uit elkaar vielen.  Door het venstergat waar ze zojuist stond zijn nog juist de laatste rode vegen van de zonsondergang zichtbaar. Het licht lijkt te worden geblokkeerd door een gestalte. Een hoekig, mannelijk silhouet met een hoofddeksel. Ze houdt haar adem in. Haar hele leven heeft ze maar één persoon gekend met zo’n vormloze jas, zo’n potsierlijk grote pet met oorkleppen. ‘Papa?’

De gestalte beweegt. Ze knijpt haar ogen half dicht maar het heeft geen nut, ze kan het niet goed zien, het is te donker en de muur staat ervoor. Ze kijkt nog even om naar de bewegende lichtjes van de stad. Ze lijken verder weg dan ooit. Haar voeten bewegen al vóór ze het bewuste besluit heeft genomen om terug te gaan naar de ruïne.
Moeizaam loopt ze door het gras naar beneden. Haar voeten blijven hangen achter de verstrengelde sprieten en de modderige grond is verraderlijk glad. Eindelijk staat ze naast de lage muur. In de verte raast het stadsverkeer, verder is het stil. Ze slikt, doet nog een stap, kijkt achter de muur.

Er is niets. Ze stoot een diepe zucht uit, de adem raspt pijnlijk in haar keel. Met gesloten ogen zakt ze langs de muur naar beneden. Haar zitvlak raakt vrijwel direct doorweekt door het contact met de koude grond.  Als ze een hand langs haar gezicht haalt, voelt ze dat haar wangen ook nat zijn. Een bijgelovige trien die teveel Yorkshire spookverhalen heeft gehoord, dat is ze. Haar verstand het zwijgen opgelegd door de wilde hoop haar vader te zien. Papa, die al bijna vijftig jaar dood is, verdronken in een ijskoude bergstroom, en begraven op het kleine kerkhof naast hun huis in Haworth. Ze schudt haar hoofd en zet haar hand op de grond om op te staan.

‘Emily.’ De stem van papa naast haar. Ze verstijft.
‘Emily, je bent het toch?’ Ze slaat haar ogen op. Naast haar, op de grond, laarzen. Grote, modderige  werklaarzen van stijf leer. Benen in een grijsverwassen tweed broek. Ze kijkt omhoog. Een vormloze jas, een grote pet met oorkleppen. Daaronder het gezicht van haar vader. Het is te donker om de kleur van zijn snor te onderscheiden, maar ze weet dat die donkerblond en rafelig is. Zijn ogen stralen. In het donker zijn ze als een lichtbaken.
Hij glimlacht en steekt zijn hand uit, raakt haar bijna aan, maar houdt op het laatste moment in. ‘Waar was je toch al die tijd? Ik heb gezocht, en gezocht. Je weet toch dat je niet zo laat op de moors mag spelen, dat is gevaarlijk.’  Nu raakt hij haar toch aan. Zijn grote hand rust op haar hoofd, zwaar en geruststellend. ‘Het is tijd om thuis te komen, mama is ongerust.’

Iedere twijfel aan zijn aanwezigheid, zijn overtuigend solide nabijheid, spoelt weg in een golf van emotie. Ze barst in tranen uit. ‘Papa, ik heb je zo gemist. Het spijt me zo, papa, zo erg.’ Met beide handen voelt ze aan zijn benen. Het korrelige leer van de oude werklaarzen en zijn prikkende tweed broekspijpen voelen vochtig maar toch warm aan. Ze kan hem niet aankijken, nog niet.

Haar vader lacht, een zacht rommelend geluid. ‘Zo erg is het toch niet. Kom meisje, het is in orde, papa is niet boos. Als je volgende keer maar vroeger thuiskomt.’
Ze kijkt met een ruk op. ‘Weet je dan niet wat er gebeurd is? Je weet niets?’
Hij is even stil. Zijn snor trilt, alsof hij een glimlach onderdrukt. ‘Wat is er allemaal aan de hand? Zeg het maar.’
Ze reikt omhoog en pakt zijn hand, wrijft met haar vingers over de eeltige plekken op zijn handpalmen. Zonder woorden begrijpt hij wat ze wil en hurkt naast haar op de grond. Zijn ruwe huid met de rode adertjes op zijn wangen, het netwerk van fijne rimpels naast zijn ogen, zijn lichtblonde wenkbrauwen waar mama altijd grapjes over maakte. Al die kleine details die ze vergeten was maar die zelfs hier in het donker zo onmiskenbaar bij haar vader horen. Haar tranen drogen op haar wangen.

‘Heb je me nog wat te vertellen? Anders gaan we naar huis, ik heb nog stalwerk te doen.’ Een praktische man, haar vader, zelfs nu. ‘Nee papa, je hoeft geen stalwerk te doen.’ Ze aarzelt. ‘Weet je nog dat ik op de moors was gaan spelen? Het was al donker geworden en je ging me zoeken.’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog. Voor hij wat kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ik had een nest fazantenkuikens gevonden.’ Ze ziet de kuikens weer voor zich, hoe schattig ze waren in hun bruingestreepte donsvachtje.  ‘Toen ik zag hoe laat het was ging ik naar huis. Mama was thuis, maar jij niet.’ Ze ziet hem fronsen. Hij doet zijn mond open, maar ze steekt haar hand op en gaat door. ‘Je kwam niet thuis. De volgende dag, toen het licht was, hebben ze je lichaam gevonden in de rivier. Ze zeiden dat je in de Don moet zijn gevallen toen het te donker was om te zien waar je liep. Ze zeiden dat het water te koud was en dat je geen schijn van kans had. Dat is wat ze zeiden. Achtenveertig jaar geleden.’ Ze kijkt hem strak aan. ‘Begrijp je het? Je bent dood.’

Hij zwijgt. Ze weet niet wat ze nog meer kan zeggen. Dat het haar schuld was? Ze opent haar mond, maar de woorden willen niet komen. Haar vader beweegt. Hij steekt zijn hand uit, beweegt zijn vingers en kijkt er aandachtig naar. ‘Ik voel me niet dood.’ Hij kijkt haar schuin aan. De rimpels om zijn ogen zijn dieper geworden en zijn snor trilt niet meer, maar is gekruld in een geamuseerde glimlach. Met een gevoel van ongeloof beseft ze dat ze geïrriteerd raakt, haar dode vader neemt haar niet serieus.

Als zijn blik zich vestigt op haar schouders en zijn glimlach verdwijnt, merkt ze dat ze heftig zit te rillen. Ze haar schouders op. ‘Het is koud, ik heb mijn jas in de auto laten liggen.’
Hij geeft geen antwoord, maar haalt een aansteker uit zijn jaszak, dezelfde dofmetalen aansteker die ze zich van vroeger herinnert. ‘Kom hier met je handen.’ Ze houdt haar handen in een kommetje om de vlam. De warmte voelt troostend aan. Hij drukt de aansteker in haar hand, schudt zijn jas uit en legt die om haar schouders. De jas is nog even groot als toen ze een kind was; de schouders hangen bijna tot op haar ellebogen. Dan neemt hij de aansteker weer van haar over en houdt hem stil, zodat ze haar handen verder kan opwarmen. Langzaam ontspant ze. Het zachte licht speelt over het gezicht van haar vader, zijn wollen trui en het regelmatige reliëf van zijn tweed broek. Zijn adem vormt wolkjes in de koude lucht.

Ze weet niet hoe lang het duurt voor een van hen weer spreekt. Haar vader schraapt zijn keel. ‘Het is mooi geweest. Kom liefje, we gaan naar huis. Ik weet zeker dat mama het eten allang klaar heeft.’ Ze perst haar lippen op elkaar. Ze moet het hem duidelijk maken. Er is geen mama, geen eten, geen thuis.
‘Zie je dan niet dat ik geen kind meer ben? Kijk naar me!’ Ze gebaart naar haar lichaam, maar haar stevige benen in de bruinkatoenen broek en de sportieve wandelschoenen zijn er niet meer. In plaats daarvan ziet ze dunne kinderbeentjes in een maillot, een wollen rok en hoge rubberen laarzen. Geel. Het geel van de laarzen die ze voor haar negende verjaardag kreeg.

Haar vader staat op en steekt zijn hand uit. ‘Ga je mee?’ Ze kijkt omhoog. Het is volledig donker. Aan de zwarte lucht twinkelen wat sterren. Geen blinkende woontoren in de verte. Geen verkeersgeluiden. Wel, ver weg, het  ruisen van een bergstroom. Ze hoort de roep van een opfladderende fazant. De veren op zijn vleugels weerkaatsen het maanlicht.
Als ze de hand van haar vader pakt en opspringt, begint ze hardop te lachen. Hij glimlacht terug, draait zich om en begint te lopen. Ze volgt. Het koude lichaam dat achterblijft bij de muur keurt ze geen blik waardig. Met gespreide armen rent ze haar vader voorbij, de met heide begroeide heuvels op.  Ze kent de weg naar huis. Het is tijd, hoog tijd om thuis te komen.

—————————————–

Dit verhaal heeft de eerste prijs gewonnen in de landelijke schrijfwedstrijd Secret City.

Verhaal: Boerderijkatjes

Het is donker in de grote schuur. Voorzichtig doet Tommy een stap naar voren. Onder zijn sandalen ritselt stro. Kakelgeluiden van geschrokken kippen en nog meer geritsel in de hoeken. Hij stoot zijn knie tegen een hek dat piepend openschiet en met een klap weer dichtvalt. De kippen kakelen opnieuw, een stuk verder weg nu. Tommy duwt het hek open en sluit het voorzichtig achter zich. Zijn hand blijft haken, plotselinge pijn. Uit een schram welt bloed op. Hij brengt zijn hand naar zijn mond en zuigt op de wond.
Het is stil. Hij kijkt rond, maar kan niet veel onderscheiden. Diffuus sijpelt het avondlicht door de vuile ramen. Plastic kratten en stapels zaaghout vormen vage silhouetten. Het ruikt naar oude mest en vochtig hout.

Dan hoort hij het. Schrille kreetjes, onbeholpen maar toch melodieus. Het geluid komt van onder de hoge stapel latten in de verste hoek van de schuur. Zo zacht als hij kan sluipt hij naar het hout. De zachte kreetjes worden duidelijker, dringender. Als Tommy bij de latten staat moet hij zijn hoofd in zijn nek leggen om te zien hoe hoog de stapel is. Hij is hoog, hoger nog dan zijn vader en die is volgens zijn moeder zo lang als een boom.
De geluidjes stoppen even als zijn voetzolen hoorbaar over de betonnen vloer schuiven, maar gaan al snel weer verder. Ze komen onder de houtstapel vandaan, of misschien er achter. Hoe langer hij luistert, hoe zekerder hij ervan is dat de kleintjes achter het hout zitten. Hij loopt langs de stapel heen en weer. Aan twee kanten ligt het hout tegen de wanden van de schuur. Er is geen weg omheen. Hij gaat op zijn hurken zitten. ‘Poes, poes, poes! Kom maar!’ De kreetjes stoppen weer even, en gaan dan verder. In Tommy’s oren klinken ze vragend, wanhopig. ‘Voed ons, red ons, neem ons mee’.
Hij kijkt weer langs de stapel omhoog. De lukraak opgestapelde latten vormen een hoekig oppervlak. Ze doen hem denken aan een trap, hoog en steil, maar toch een trap. Hij steekt zijn hand uit en trekt aan een van de latten. Die ligt muurvast.

Hij schudt zijn jack van zich af, zoekt houvast met beide handen en begint te klimmen. Het hout is ruw onder zijn handen. Hij voelt kleine splinters door zijn huid gaan, zijn handpalmen prikken en branden. Niet op letten nu. De rubberen zolen van zijn sandalen vinden gemakkelijk houvast. Hij klimt hoger en hoger. Dit is gemakkelijk, denkt hij. Nog even, poesjes, dan ben ik bij jullie.
Dan verschuift iets onder hem. Zijn voet zakt opzij, glipt van de lat en schiet uit tegen de lat daaronder. Die kraakt, beweegt, begint te vallen. Hij ziet zijn handen steeds verder uit elkaar gaan als de berg hout steeds sneller alle samenhang verliest. Met een donderend geraas stort de stapel in en begraaft Tommy onder meters splinterend zaaghout.

Hij droomt. In zijn droom ligt hij lui op de bank, een Action Man in de ene hand en een plastic motorfiets in de andere. De gangdeur zwaait open en zijn moeder komt binnen, torsend met een onmogelijk grote kartonnen doos. Uit de doos komen benauwde geluidjes. Miauwen, schril en piepend. Hij ziet dat de doos hermetisch is gesloten met dikke lagen bruine tape. ‘Mama, de katjes stikken!’, roept hij uit. Hij wil opstaan, maar zijn moeder glimlacht. ‘Welnee, schat’, zegt ze. ‘Dat vinden ze juist fijn.’ Ze tilt de doos omhoog en zet hem met een zwaai op zijn buik. Hij probeert hem weg te duwen. Er komt geen beweging in. De druk op zijn buik neemt toe, begint pijnlijk te worden, hij krijgt geen adem, raspend gaat de lucht naar binnen en naar buiten. ‘Haal hem eraf, haal hem eraf!’

Zijn ogen vliegen open. Er is geen doos, geen moeder. Hij ligt plat op zijn rug in het donker. De druk op zijn buik is er nog steeds. Hij wil opstaan, maar zijn armen en benen zitten vast. Hij trappelt met zijn voeten, probeert zijn armen los te trekken. Zijn schouders en heupen bewegen, verder niets. Boven hem klinkt een schurend geluid en de druk op zijn buik neemt nog verder toe. Stof en zaagsel dwarrelen in zijn gezicht. Kuchend draait hij zijn hoofd weg, een paar centimeter maar, tot hij een splinterige houtrand in zijn wang voelt prikken. In paniek begint hij te worstelen om los te komen. Het enige resultaat is dat de stekende pijn in zijn buik toeneemt tot ondraaglijke hoogte. Tevergeefs probeert hij zijn knieën op te trekken. Als de pijn wat zakt voelt hij dat zijn wangen nat zijn. En niet alleen zijn wangen. Het is koud in de schuur en zijn kleren voelen doorweekt aan. Hij begint te rillen.

Een onbestemde tijd later neemt het zwart om hem heen af. Grauw licht schijnt door de spleten tussen de latten waaronder hij ligt begraven. Het zijn er niet veel, smal en ver uit elkaar. Niemand zal hem er doorheen kunnen zien.
Tommy’s keel doet pijn. Hij heeft uren liggen schreeuwen om hulp, maar hij wist dat er niemand zou zijn om het te horen. De schuur ligt midden in een weiland. Honderden meters van het woonhuis van de boer en nog veel verder van zijn eigen huis aan de rand van de stad.
Hij heeft dorst. Zijn moeder is nu misschien zoete koffie en brood met kaas en tomaat aan het maken, haar lievelingsontbijt. Dan dringt het tot hem door dat zijn moeder vast geen ontbijtje staat te smeren als haar kind zoek is. Misschien ligt ze wel op de bank te huilen. Misschien zijn zijn vader en moeder wel de hele nacht opgebleven om hem te zoeken. Een snik ontsnapt hem maar zijn ogen blijven droog. Hij heeft geen water meer voor tranen. Hij hoopt dat ze hem niet heel snel vergeten en dat ze zijn Action Man verzameling niet weggeven aan zijn kleine neefje. Bij de gedachte zwelt zijn keel op. Hij slikt moeizaam.

De pijn in zijn buik is weg. Hij voelt helemaal niets meer, geen pijn, geen kou, geen honger. Alleen dorst. Hij zakt weg in een halfslaap, schrikt wakker, zakt weer weg. Het is moeilijk om wakker te blijven en nog moeilijker om na te denken.
Hij vangt een geluid op. Gekrabbel, het scherpe geluid van nagels op hout. Een mager silhouet verschijnt aan de rand van zijn gezichtsveld. Twee ronde ogen weerkaatsen felgroen het licht, dan draait de kat haar kop en de spookachtige reflectie verdwijnt.
Tommy houdt zijn adem in. ‘Poes?’ Zijn stem is schor, bijna onhoorbaar, maar de lapjeskat duikt in elkaar in een schrikreflex. Na een paar seconden ontspant ze. Met sierlijke doelmatigheid weeft ze zich door de wirwar van houten latten. Hij ziet haar kleine roze neus bewegen als ze zich strekt om naast zijn heup aan de grond te ruiken. Als ze zich weer opricht zit er een donkere vlek op haar neus.
Ze gaat zitten, opent haar bekje en miauwt. Piepende kreetjes klinken ten antwoord. Een voor een verschijnen haar kittens. Heel wat minder sierlijk, met onhandige sprongetjes en schuifelpasjes wurmen ze zich door het hout. Het zijn er vijf of zes, allemaal mooi, met lapjes, strepen en grote witte vlekken. Er zit zelfs een kleintje bij dat helemaal zwart is, Tommy kan hem alleen zien door de weerschijn van zijn oogjes.
Hij vergeet waar hij is en begint in zijn hoofd de katjes te verdelen. Die rode voor Mark – het mocht van zijn moeder, de lapjes en het streepje voor oma, de buurvrouw wou er ook wel eentje, en die zwarte zou hij zelf houden. Hij neemt hem gewoon mee naar huis en dan vindt zijn moeder het vast wel goed. Dan realiseert hij zich dat hij misschien niet thuiskomt. De boer zal de kleintjes vinden en ze verdrinken, precies zoals hij had gedreigd, en zijn ouders zullen hém ook niet vinden. Nu verschijnen er toch nog tranen, ze lopen langs zijn wangen omlaag.

De kittens nemen hem vol interesse op en kijken dan naar hun moeder. Die wendt haar kop naar Tommy en knijpt haar ogen even dicht. Lief, denkt hij. Ze ziet dat ik huil, ze wil me troosten. Dankbaar knippert hij terug naar de moederpoes. Dan komt ze overeind, bereikt zijn lichaam met een paar ontspannen stappen en buigt haar kop. De kittens scharrelen haastig achter haar aan. Tommy kan ze daar niet goed zien, maar voelt hun pootjes op zijn benen en heupen, voelt hoe ze hun nageltjes in zijn huid zetten om tegen zijn borst op te klimmen. Dan, in één felle explosie, is de pijn terug. Als hij schreeuwt en schreeuwt, schrikken de katten op. Al snel beseffen ze dat het kabaal geen dreiging voor ze is. Ze hurken en gaan rustig verder met hun maaltijd van half opgedroogd bloed op de rafelige wanden van zijn buikwond.

Tommy is zich niet bewust van de boer, die uren later de schuur binnenkomt, mopperend de ingestorte houtstapel opneemt en dan met een schok een kindersandaal tussen de latten ontdekt. Evenmin merkt hij het  koortsachtige wegruimen van het hout op, het ambulancepersoneel dat hem op een brancard tilt of de eerste uren in het ziekenhuis, waar de artsen hun uiterste best doen zijn leven te redden.

Vele weken later ligt hij thuis op de bank. Hij kan niet goed bewegen. Een van zijn benen is stijf en zijn rechterarm is geslonken en verzwakt door het dragen van gips. Om zijn buik heeft hij nog steeds een stevig verband. Hij strekt zijn arm en laat Action Man heldhaftig tegen de rugleuning opklimmen.
Dan hoort hij de sleutel in het slot draaien. Zijn moeders stem in de gang: ‘Hallo! Ik ben thuis!’  De gangdeur klapt open en zijn moeder komt binnen. In haar handen draagt ze een doos, niet van karton maar van blauw plastic, met een handvat aan de bovenkant en een hekje aan de zijkant. Achter de tralies reflecteren twee ogen felgroen het licht.
Zijn moeder glimlacht verwachtingsvol. ‘Kijk eens, schat.’ Ze zet de doos naast hem op de bank en peutert het hekje open. Een lapjespoes steekt haar kop uit de doos en kijkt hem strak aan.
‘Voor jou! zegt zijn moeder. ‘Papa en ik wisten hoe graag je een eigen katje wou. Daarom ben je toen toch naar die schuur gegaan, je had het er steeds over. Kijk eens, is ze niet lief? Tommy? Hee, Tommy, wat is er? Schreeuw niet zo! Tommy!’