Categorie archief: verhaal

Twee winnende verhalen in The Flying Dutch

Hoe trots was ik vandaag, toen ik de post opende en in een grote envelop vijf exemplaren van The Flying Dutch aantrof.

The Flying Dutch is het full color magazine van de Nederlandse Star Trek vereniging, een groep SF-liefhebbers die ook de jaarlijkse schrijfwedstrijd Trek Sagae sponsort. De 2012-editie van deze wedstrijd heb ik gewonnen met twee verhalen. Mike Jansen heeft de derde plaats veroverd. De prijsuitreiking vond dit najaar plaats, en de winnende verhalen zijn deze maand gepubliceerd in een flink middenkatern. Het ziet er geweldig uit. 🙂

Beenderen van de sapiens, nummer 1, speelt zich af in de verre, verre toekomst. Een toekomst waarin de mens op ons terugkijkt zoals wij nu op onze primitieve voorouders. Een toekomst waarin de menselijke natuur nog steeds voor ieder antwoord nieuwe vragen formuleert en waarin de menselijke individualiteit nog steeds springlevend is. De eerste alinea’s van dit verhaal:

Beenderen van de sapiens

Met een zachte kwast veegt Tamerei de laatste resten gruis van het fossiel dat half uit het zand steekt. Een spaakbeen, ellepijp en een aantal fijne botjes van een pols en hand. Homo sapiens, hij is er vrijwel zeker van. Hij heeft zijn team nog niet gewaarschuwd; het is ook nog mogelijk dat de botten van een oud soort mensaap zijn. De typerende vorm van een menselijke duim had hem zekerheid kunnen geven, maar die heeft hij niet kunnen vinden. Nog niet.

Hij kijkt op om er zeker van te zijn dat de beeldbewaarder die boven zijn schouder in de stoffige lucht zweeft actief is. Het is van cruciaal belang dat het apparaat alles registreert. Na jarenlange voorbereidingen wordt dit onherbergzame werelddeel voor het eerst onderzocht. Concurrerende opgravingsteams zijn zuidelijk en westelijk op het continent actief en iedereen wil de beste vondsten doen, de fossielen met het grootste wetenschappelijk belang uit de bodem halen.

Ondanks zijn reusachtige aantallen in het oeroude tijdperk van het holoceen is de homo sapiens nu, meer dan een miljoen jaar later, verrassend moeilijk te vinden.

In prijswinnaar 2, Appelbloesem in de nacht, rijdt een oude man, losgerukt van zijn wortels en alles wat hem dierbaar was, door een nachtelijk, winters bedrijventerrein. Zijn eenzame tocht wordt gedreven door verbittering, tot hij ontdekt dat niets ooit helemaal verloren gaat. Een paar alinea’s uit dit verhaal:

Appelbloesem in de nacht

Buiten is het gestopt met sneeuwen, behalve de poedersneeuw die opgejaagd door de wind van het asfalt opstuift. In de plotselinge stilte krijgen de windvlagen die tegen het busje duwen opnieuw een stem. Ze spelen samen, denkt Gerrit. Maar ze hebben er geen plezier in. Misschien is het geen spel. Ze snauwen en graaien naar elkaar met ruwe, witbeijzelde handen. Hij draait het contactsleuteltje om zodat de stroom van warme lucht uit de roosters in het dashboard weer op gang komt.

Dit is geen plaats voor mensen. Niet nu, niet meer. Misschien overdag, als de contractslaven de parkeerplaatsen bezetten met hun Opels en Audi’s en in pantalons en spijkerbroeken de bedrijfspanden binnenlopen. Hij kan ze gemakkelijk voor zich zien, met de zolen van hun dure leren schoenen en hooggehakte laarzen klikkend over de parkeerplaats, zich onbewust van de begraven schoonheid van deze plek. Zíj horen hier nu thuis. Hij is degene die hier geen plaats heeft. Toch blijft hij zitten.

Heb je zin om de verhalen te lezen, dan zijn er zeker nog exemplaren van het magazine beschikbaar: info@tfd.nl.

flyingdutch dec 2013

Advertenties

De weg naar huis

 

De eerste keer dat Karsten het meisje zag was hij zó dronken, dat hij het later afdeed als verbeelding.

Hij lag op zijn rug op de vuilwitte achterbank van zijn Volkswagen kampeerbusje. Zijn benen pasten niet op de bank. Het rechterbeen bungelde krachteloos tot op de vloer, het linkerbeen was opgetrokken waardoor de urinevlek in zijn broek zichtbaar was voor iedere voorbijganger die de moeite nam naar binnen te kijken. Maar er waren geen voorbijgangers die hem konden zien. Niet op deze parkeerplaats langs de snelweg om twee uur ’s nachts. Er was al lange tijd niemand geweest die Karsten écht zag. Hij leek onzichtbaar te zijn voor de drukbezette leden van de samenleving in hun nooit-eindigende migratie tussen werk, huis en school.
Die dag waren zijn laatste meubels opgehaald door de Kringloop. De paar bezittingen die hij wilde houden lagen in koffers achterin het oude VW-busje. Toen hij niemand meer verwachtte had hij nog een ronde gemaakt door de lege kamers en trok daarna voor de laatste keer de voordeur achter zich dicht. Hij stapte in het busje en draaide de contactsleutel om. Terwijl de motor trillend aansloeg keek hij door het stoffige portierraam naar de benedenwoning waar hij meer dan veertig jaar had gewoond. De jonge gestalte van zijn rechterbuurvrouw verscheen voor haar raam. Hij stak zijn hand op, maar ze was alweer weg. Hij gaf gas en reed de straat uit zonder om te kijken.

Het kleine meisje had al snel begrepen dat het Volkswagenbusje waarin ze woonde weer verkocht was. Ze herkende inmiddels de signalen: het gesprek van de huidige eigenaar met een vreemde, de proefrit, de handdruk en de overhandiging van de sleutels. Ze was op het kleine aanrechtblad geklommen om langs de rafelige gordijntjes naar buiten te turen, in de veilige wetenschap dat ze haar niet konden zien. De oude man die de proefrit had gemaakt zag er triest uit, vond ze. Hij had een gezicht vol vouwen en plooien dat haar deed denken aan lang geleden, toen ze nog een grootvader had. Toen hij moest remmen voor een groep ganzen die over de weg waggelden, had hij geglimlacht. Het was maar een kleine glimlach die hem er niet minder triest uit deed zien, maar de plotselinge vriendelijkheid van zijn uitdrukking trof haar. Ze verloor zich in herinneringen. Heerlijk vond ze het te denken aan haar familie, het spelen buiten, het warme huis met haar eigen kleine kamer. Behalve die ene herinnering die soms toch de kop opstak, van het leuke ritje in de toen nog gloednieuwe Volkswagenbus op weg naar een beloofd ijsje, en niet veel later de pijn van haar eigen stervende lichaam. Haar lichaam werd weggedragen, maar zij was niet meegegaan. Ze bleef. Ze wilde terug naar huis en de bus was de enige plaats waar ze een band met thuis voelde.
Toen ze de onaangename herinneringen eindelijk had weggeduwd, zag ze de oude man opnieuw voorin de bus zitten. Ze wist niet hoeveel tijd er verstreken was, dat wist ze nooit meer. De tijd leek elastisch te zijn, zich dan weer eindeloos uit te strekken om daarna onverwachte sprongen te maken. De man had andere kleren aan en het begon donker te worden. Buiten zoefden de kale takken van de bomen langs het asfalt in hoog tempo voorbij. Alsof hij haar aanwezigheid voelde, keek hij over zijn schouder. Ze trok zich terug in de schaduwen waarin ze zich het grootste deel van de tijd bevond.

Lees verder

Verhaal: kantoorpolitiek

‘Dit is het magazijn,’ zei Ronald. Hij zwaaide de onopvallende deur in het midden van de gang wijd open. De ruimte achter de deur was onverlicht, een ondoorzichtig inktzwart. De heldere kantoorverlichting in de gang hield op te bestaan achter de drempel.
Ronald deed een paar stappen naar binnen en verdween in het donker. Zijn wat hese stem zweefde de gang in: ‘Er zijn geen ramen hier. De lichtknop zit binnen om de hoek.’
Even later kwamen de tl-buizen flikkerend tot leven. Elfrida bleef op de drempel staan en keek het magazijn in. Links en rechts van haar stonden lange rijen metalen archiefkasten tegen de wand. De rest van de ruimte was gevuld met houten stellingkasten. Ze zag kartonnen dozen, dossiermappen, antracietgrijze ordners, een verzameling stokoude Remington typemachines op een lage plank, gekleurde papieren slingers die rafelig over een metalen steunbalk hingen en nog een eindeloze variatie aan spullen die ze niet kon thuisbrengen. Verderop in het magazijn was het schemerig, alsof daar minder lampen waren. Misschien zijn ze wel stuk, dacht ze, en durft niemand erheen om ze te repareren. Ze ergerde zich aan haar eigen irrationele gedachte.

‘Ronald?’ Haar nieuwe collega van de personeelsafdeling die haar een rondleiding door het pand gaf, was nergens te bekennen. Ze deed een stap naar binnen en schrok toen de deur met een bons en een klik achter haar dichtviel.
Hij stond bij de open stellingkasten aan de linkerzijmuur. Er klopte iets niet aan zijn houding. Zijn lichaam was naar haar toe gedraaid, maar zijn hoofd niet. Ze probeerde zijn blik te volgen, maar ze zag niets bijzonders. Toen weerkaatsten zijn ogen het zwakke licht en zag ze dat hij haar toch aankeek, misschien al die tijd al.
‘Kom je nog?’ vroeg hij, niet onvriendelijk. ‘In deze kast vind je kantoormateriaal: pennen, paperclips, enfin, je kent het wel. Pak maar vast een paar spullen voor je bureau. Wat heb je nodig? Een nietmachine, een perforator…’ Hij wees haar nog wat planken aan en wachtte tot ze haar kantooruitzet bij elkaar had gezocht. De kantoorartikelen voelden vettig aan, vond Elfrida. Ze moest de neiging onderdrukken om tussendoor haar handen aan haar zwarte jeans af te vegen.

‘Weet je zeker dat je alles hebt?’ drong Ronald aan toen ze klaar was. ‘Anders moet je hier straks weer terugkomen.’
‘Ik weet het zeker.’ Ze draaide zich om naar de deur en liet bijna de verzameling kantoorartikelen uit haar handen vallen. Aan het einde van het smalle gangpad tussen de stellingen en de metalen dossierkasten zat iemand op een houten kruk. Een oude man met verwilderd grijs haar, dat pluizig van zijn hoofd afstond. Hij leunde met zijn bovenlichaam tegen een kast. Zijn dunne benen waren naar voren gestrekt en zijn ogen lagen als donkere poelen in zijn gerimpelde, holwangige gezicht. Een van zijn armen hing opzij van zijn lichaam, de andere lag in een ongemakkelijk stramme positie over zijn schoot.

Ronald grinnikte vlak achter haar en opnieuw moest ze haar werkmateriaal tegen zich aanklemmen om te voorkomen dat het tussen haar handen door op de vloer zou belanden.
‘Da’s ouwe Bram. Daar schrok je van, hè?’ Nog steeds grinnikend liep hij voor haar uit naar de verschijning. Dichterbij gekomen zag ze dat de kleding van de bejaarde stoffig en slordig om zijn lijf hing. Hij gaf geen krimp toen ze naderden. Er zat een button op de revers van zijn bruine jas; groot, roze en feestelijk, met een felgroene tekst: Gefeliciteerd Abraham! Toen zag ze dat zijn verweerde gezicht scherpe randen had en onnatuurlijk glansde. De elastiekjes aan weerzijden van de oren bevestigden haar vermoeden: een pop met een masker.
‘Dit zetten jullie neer als iemand 50 jaar wordt?’ Ze dwong zichzelf te lachen, alsof ze het een goede grap vond. Ronald knikte en klopte wat stof van de pruik van de pop. Het ding zakte nog wat verder onderuit op de kruk. ‘Klopt. De laatste is al een tijdje geleden. Bram zit hier alweer een jaar of zes te niksen.’ Hij wierp een blik op de pop die ze niet kon thuisbrengen.
Ze bestudeerde het plastic masker. Bram keek niet blij, vond ze. Helemaal niet blij.
‘Zullen we maar verder gaan?’ vroeg ze. ‘Of wilde je me hier nog wat laten zien?’
‘Neu, ’t is wel goed zo. In die kasten naast Bram liggen de oude arbeidsovereenkomsten van mensen die langer dan twee jaar uit dienst zijn, maar daar hoeven we bijna nooit in. Heel soms haalt Mirte een paar mappen op voor een nacontrole. Laten we gaan.’ Ronald klopte Bram nogmaals op zijn slordige pruik. Een stofwolkje vloog op. ‘Dag jongen, tot de volgende keer, hè.’ Bram schokte op en neer onder zijn beweging, alsof hij bevestigend knikte.
Elfrida maakte aanstalten om Ronald te volgen, maar haar voet bleef haken en ze viel hard op een knie en haar beide handen. De nietmachine, perforator, doosjes paperclips, pennen en insteekhoezen kletterden voor haar uit over het groene linoleum, door het gangpad en onder de stellingkasten. Ze vloekte zacht.
‘Niet zo grof,’ zei Ronald op norse toon. ‘Daar houdt Bram niet van.’ Ze keek op vanaf haar lage positie op de grond om te zien of hij een grapje maakte, maar zijn wenkbrauwen waren gefronst. Hij bukte zich en begon haar spullen op te rapen.
Haar voet was blijven hangen achter de hoge rechterschoen van de pop. Het zichtbare deel van zijn been boven de dofzwarte schoen zag er uit als een worst van grauwwit katoen, gevuld met iets zachts en bobbeligs. Ze krabbelde overeind, voorzichtig om hem niet van zijn kruk te trekken. De kleine gaatjes in de kunststof ogen van het masker leken op haar te zijn gericht. Ze onderdrukte een rilling. Haastig griste ze het laatste doosje paperclips van de vloer en liep voor Ronald uit terug naar de gang.

Toen de systeemklok op haar beeldscherm half zes aangaf, keek ze op van haar toetsenbord. Ronald en Mirte zaten achter hun bureau, verdiept in hun werk. Er stonden diepe groeven in het voorhoofd van Ronald, dieper dan je zou verwachten van een man die nog geen veertig jaar oud kon zijn. Mirte had de map met salarismutaties voor zich liggen en vergeleek de papieren met de gegevens op haar scherm. Met haar roze wangen en korte, maar volle blonde haar was ze het prototype van een Hollandse vrouw, stevig op haar benen en oergezond, ware het niet dat ze diepe schaduwen onder haar blauwe ogen had.
Elfrida rekte zich onopvallend uit. ‘Hoe laat stoppen jullie?’
‘Nog niet,’ antwoordde Mirte afwezig. Ronald glimlachte halfslachtig, maar gaf geen antwoord.
‘Elfrida deed nog een poging. ‘Dit was een interessante eerste dag. Fijn dat ik zoveel kon vragen. Ik denk dat ik morgen al het een en ander zelf kan doen.’
Nu keken ze wel op en wisselden een blik. Ronald stond op. ‘Ik ga even koffie halen. Tot zo.’
‘Dan zie ik je morgen weer, ik ga er vandoor.’ Elfrida pakte haar tas, controleerde de berichten op haar Nokia en ruimde daarna haar bureau op.
Mirte keek haar aan met vermoeide, doffe ogen. ‘Waarom blijf je niet nog even?’
‘Blijven? Elfrida keek op. ‘Tot hoe laat moet jij dan werken? Je was hier vanochtend al toen ik binnenkwam, dat was kwart voor acht.’
Mirte knikte. ‘Dat is waar. Het werk kan nogal… veeleisend zijn. We komen soms moeilijk weg. Enfin, ga maar.’
Elfrida keek haar onzeker aan, haalde toen haar schouders op en sloeg haar sjaal om. ‘Tot morgen!’
Mirte had zich weer over de ordner gebogen. ‘Dan hebben we het maar gehad, ‘ hoorde Elfrida haar mompelen toen ze de deur uitliep.

Er was niemand in de gang van het kantoorgebouw. De collega’s die overdag over de gang wandelden, op weg naar het toilet, de kantine of de koffieautomaat, waren nergens te bekennen. Misschien al naar huis, dacht Elfrida. Ze liep de trap af. Bij de receptie zag ze het grijze haar van Brenda, de receptioniste, boven de hoge balie uitpiepen.
‘Dag Brenda, tot morgen!’ riep ze. Geen antwoord.
Toen ze naar de buitendeur liep, vroeg ze zich af of ze hier de volgende dag wel wilde terugkomen. Het werk was interessant, de collega’s leken aardig, maar soms leek de opgewekte façade even te wijken en kwam er iets anders tevoorschijn. Iets verborgens. Ze dacht aan het masker van Bram met de kleine, ronde ooggaten en versnelde haar pas.
De glazen deur was dicht. Ze zag regendruppels over het glas rollen en buiten op het parkeerterrein neervallen. De bushalte was in de verte zichtbaar, droog en uitnodigend. Ze drukte de deurkruk naar beneden. Hij zat vast. Ze rammelde met de kruk en duwde tegen de deur, maar hij bleef dicht.
Ze fronste. ‘Brenda?’ Het bleef stil in de receptie. Toch had ze Brenda zojuist zien zitten. Misschien was ze wel aan de dove kant. Met grote stappen beende ze over het glanzende parket naar de balie.

De bureaustoel van Brenda was leeg. Naast de stoel zat Bram, half onderuit gezakt op zijn houten kruk. Zijn benen lagen stijf naar voren en een arm hing langs zijn lichaam. De andere arm lag op de balie. Zijn masker was wat verdraaid, zodat zijn starre gezicht met de rimpelige plastic mond en zijn starende ogen haar aan leken te kijken. De woeste grijze pruik stond in een vreemde hoek op zijn hoofd.
Ze deed een stap naar achteren, draaide zich om en liep snel naar de deur. Nog steeds op slot.

‘Elfrida?’
Ze draaide zich om. Mirte stond onderaan de trap. Ze wierp een korte blik op de balie en liep toen door de ruimte naar haar toe. Ze bracht haar hand omhoog, alsof ze hem op Elfrida’s arm wilde leggen, maar drong niet aan toen Elfrida een stap terugdeed.
‘Bram wil dat je blijft,’ zei ze. ‘Het spijt me.’
Er kwam iemand van de trap, en toen nog iemand. Het ruisen van schuifelende voetstappen zwol aan. Terwijl Elfrida en Mirte elkaar aankeken vulde de receptie achter hen zich met mensen; receptioniste Brenda, Maarten van productie, Chris van de boekhouding, allerlei collega’s wiens naam ze niet direct wist. Ze stonden zonder iets te zeggen bij elkaar en keken haar aan met gezichten die medelijden en moedeloosheid uitdrukten. De meesten hielden hun blik zorgvuldig afgewend van de balie met de nog steeds zichtbare pluk grijs haar.

Later wist ze niet of haar fragmentarische herinneringen van die middag waanbeelden of de werkelijkheid weergaven. De slepende geluiden achter de balie, de grijze pluk haar die in beweging kwam, en Mirte die haar hand pakte en meetrok door de groep mensen; de trap op, over de gang en terug naar de kamer van personeelszaken. Dichtslaande deuren van collega’s die een voor een verdwenen in hun eigen kantoor.
Dat wat ze zich nog wel duidelijk voor de geest kon halen was van een frustrerende ongeloofwaardigheid, slechts een paar kristalheldere maar surrealistische minuten. Ronald, zittend aan zijn bureau en sippend van een mok koffie. ‘Daar, voor jullie,’ zei hij toen Mirte en Elfrida hijgend binnenvielen, en wees naar twee dampende bekers op hun bureaus. Hij ving de blik van Mirte en trok zijn wenkbrauwen op alsof hij om bevestiging vroeg. Ze knikte bijna onmerkbaar.
Hij zuchtte, zette zijn mok neer en ging weer aan het werk. Mirte liet Elfrida’s pols los en nam plaats op haar bureaustoel. Ze sloeg een map open en pakte haar pen op. Elfrida stond in het midden van de kamer en luisterde naar de slepende geluiden in de gang. Ze werden luider, gingen voorbij en vervaagden. Toen, heel zacht: een bons en een klik. De deur van het magazijn, dacht ze.

Veel meer dan dat kon ze zich nooit voor de geest halen. Ze praatte er niet graag over. De sprong uit het raam van de kantoorkamer op de tweede verdieping, haar voorhoofd dat met een klap tegen het natte asfalt aansloeg, de vrachtwagenchauffeur die bijna over haar heenreed maar op tijd kon stoppen en haar naar het ziekenhuis bracht. Ze wist dat het gebeurd was, maar kon zich er vrijwel niets van herinneren. Het gevolg van een zware hersenschudding, volgens de artsen.

Het was drie maanden later dat ze een kort bericht in de krant las over een bedrijfspand dat volledig was uitgebrand. Het vuur was ’s nachts ontstaan in het magazijn, vermoedde de brandweer. Ondanks het late uur hadden er nog veel auto’s op het parkeerterrein gestaan en er waren meerdere lichamen gevonden. Geen overlevenden. Het onderzoek naar de identiteit van de doden was in volle gang.
Het bericht luchtte haar op en verergerde tegelijkertijd haar knagende schuldgevoel. Die nacht droomde ze dat ze voor een brandend kantoorgebouw stond. Er waren mensen binnen, een man met een gegroefd voorhoofd en een forse vrouw met roze wangen. Achter hen bewogen nog anderen in de dichte rook. Ze bonsden op de ramen en schreeuwden, totdat het brullende vuur hun angstkreten overstemde en er alleen nog vlammen zichtbaar waren.

Zwetend werd ze wakker. Ze stond op en schonk een glas koud water in. Na de eerste slok zette ze het glas neer, pakte haar tas van de vloer en opende de rits. De lucht van verschroeid plastic die uit de tas ontsnapte benam haar bijna de adem. Ze hoestte, pakte het deels gesmolten plastic masker van een bejaard mannengezicht uit de tas en legde het voor zich op tafel. De mond van het masker was weg, maar de kleine ronde ooggaten waren nog intact, zij het wat vervormd, en keken haar aan.
‘Dag Bram,’ zei ze.
Ze legde het masker in haar oude braadpan op het fornuis en draaide het vuur onder de pan ver open. Voor ze het deksel op de pan deed zag ze dat de randen van het masker al begonnen te smelten. Toen ging ze zitten en wachtte.

Dit verhaal staat ook op http://www.boekvoorhaar.nl/2012/10/kantoorpolitiek-nieuw/

Verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten is verkrijgbaar

De verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten, het tastbare resultaat van een schrijfwedstrijd van uitgeverij Pamac, verschijnt half september. Mijn verhaal, Blozende bloemen, staat er ook in. 🙂  Het is een verhaal van het type waar ik zelf graag van smul, een vertelling over onverklaarbare gebeurtenissen die leiden tot liefde en nieuwe kansen.
Hieronder een paar alinea’s uit het verhaal. Heb je zin om het boek te bestellen, dan vind ik dat natuurlijk enorm leuk! Je kunt de bestelling via mij doen.

—————-

Fragment uit Blozende bloemen

Dan staat ze stil. Ze kijkt rond, naar de bloemen, de planten, het witgeschilderde en volle interieur van de bloemenstal. Naar haar handen, die nog steeds glad, zacht en pijnloos zijn. Ze buigt haar hoofd en bestudeert haar slanke enkels en rechte voeten, in damesschoenen met kleine hakken en riempjes over de wreef die haar doen denken aan de mode in haar jeugd. Om haar kuiten golft een wijde katoenen jurk.
Rozerood.
Ze doet een paar stappen naar de deuropening en kijkt naar buiten. De emmer en boodschappentrolley zijn verdwenen, maar verder lijkt alles hetzelfde. Alle gebouwen staan er net als altijd; de appartementen aan de overkant en de bijna identieke lage flats die zich honderden meters aan weerszijden herhalen. Toch ziet het bruine baksteen van de woningen er anders uit, lichter, schoner misschien.
Ineens dringt het tot haar door. Het grote verschil. Ze hoort vogels tsjilpen, de wind waaien en nu ze goed luistert ook het hoge lachen van spelende kinderen in de verte. Wat ze niet hoort is het onophoudelijke razen van automotoren dat al tientallen jaren tegen de gevels kaatst.
Of toch: een pruttelend geronk verbreekt de stilte en wordt langzaam luider, tot een zwarte auto de hoek omdraait en in een rustig tempo de bloemenstal voorbijrijdt. Ze heeft geen verstand van auto’s, maar dit is duidelijk een fraaie oldtimer, zo glanzend dat hij nieuw lijkt. De vrouw op de passagiersstoel glimlacht en steekt een hand op. Ze heeft een sjaaltje over haar hoofd gebonden, maar niet zo strak als de hoofddoek van Leny’s Marokkaanse bovenbuurvrouw. Dit is een mondain glanzend doekje van pastelblauwe zijde en lijkt bedoeld te zijn om de blonde watergolfkrullen die eronder vandaan piepen, te beschermen tegen de wind. Opnieuw moet ze denken aan haar jeugd. Haar moeder had een aantal van zulke sjaaltjes, en zijzelf ook. Nog steeds, trouwens.
Weer komt er een auto voorbijrijden, opnieuw zo’n oldtimer in prachtige conditie, hoewel deze er gebruikt en wat stoffig uitziet. Leny staart hem na. Uiteindelijk draait ze zich om, loopt weer naar binnen en zoekt met haar ogen naar de foto aan de muur. Hij is weg. Waar de foto hing, hangt nu een ronde handspiegel met zijn steel aan een spijker.
Leny komt dichterbij. Het verbaast haar niet eens in de spiegel te zien dat haar wangen glad en rond zijn, haar ogen groot en helder en haar huid zacht en blozend als een perzik. Wie de spiegel weerkaatst weet ze niet, maar het is niet haar vertrouwde gezicht dat ze in 82 jaar oud en rimpelig heeft zien worden.

Tropenverhaal is nieuwe VrouwenQuiller

.

Mijn nieuwe verhaal ‘Een interview in de tropen’ is vandaag geplaatst op de site van VrouwenThrillers.nl. Een quote:

Sinds september 2009 houdt VrouwenThrillers.nl een open wedstrijd voor (aspirant) schrijvers en schrijfsters: de VrouwenQuiller (spreek uit: “VrouwenKiller”). De VrouwenQuiller is een “Quick VrouwenThriller”, een spannend verhaal in maximaal 4000 woorden.

Leuk initiatief, nietwaar? Mijn verhaal ‘Een interview in de tropen’ is de nieuwe VrouwenQuiller. Een verloren man met een geheim motief, een onomkeerbare daad op een tropisch eiland en een rijke, maar niet zo aardige vrouw: dat kan niet goed aflopen. Laat me weten wat je ervan vindt! Hieronder de eerste alinea’s van ‘Een interview in de tropen’, klik door om het hele verhaal te lezen.

Een interview in de tropen

Het huis was nog groter dan op de foto’s die Michael Kinan ervan had gezien in glossy magazines. Hij nam aan dat het gebouwd was van beton, zoals de meeste huizen op Aruba, maar de muren waren wit bepleisterd en versierd met glanzende natuursteen. Rode dakpannen, balkons met sierlijk gedraaide spijlen en uitbundig bloeiende bougainville. Zijn oog viel op een naambord aan de gevel: Barracuda Home, in schuin sierschrift. Het tuinpad vertakte zich vlak voor de deur naar rechts. Richting de kust achter het huis, veronderstelde hij. Het helderblauwe water van de Caribische zee was vaag zichtbaar achter de bloeiende planten en de palmen rondom het huis. 
Eindelijk was hij bij de voordeur. Het verbaasde hem dat hij zonder meer had kunnen doorlopen zonder dat hem een haar in de weg was gelegd, tot hij de beveiligingscamera boven de deur zag. De donkere lens was op hem gericht.
Lees meer

Verhaal: we kunnen ervan eten

De voeten van Michels moeder stonden geen moment stil. Ze tikte met haar hakken op de grond, wiebelde met haar enkels en strekte haar kuiten, zodat Michel haastig moest wegschuiven om haar puntige schoenen niet in zijn gezicht te krijgen. Zijn zitvlak schoof daarbij hoorbaar over de vloer en hij hield geschrokken zijn adem in, maar de volwassenen rond de eettafel praatten ongestoord verder.

Michel zat al lang onder de grote tafel in de eetkamer van zijn huis.  Zijn ouders en grootouders hadden al die tijd zitten eten. Hij wist niet dat grote mensen zo lang konden doorgaan met eten. Zo af en toe was zijn moeder opgestaan en hoorde hij de heldere geluiden van borden en bestek dat opgestapeld werd. Steeds kwam ze al snel terug met nieuw voedsel. Hij hield zich muisstil, zodat ze hem niet zou horen of zien. Dan het bonken van een nieuwe schaal op tafel, het schrapen van een opscheplepel en de koerende lofprijzingen van oma Marjon: ‘O God wat is dit heerlijk, wat kan jij toch goed koken, Gemma’. En opa Willem: ‘Hou toch op, jij vindt alles lekker’.  Het was even stil rond de tafel en Michel verstarde. Toen een tinkelend lachje van zijn moeder, waarna zijn vader inviel met zijn warme, hartelijke schaterlach. Oma Kokkie en Opa Jan deden mee en een paar tellen lang was de kamer gevuld met vrolijke geluiden.
Michel herademde. Hij draaide zich op zijn rug. Het tafelblad vormde een reusachtig donker vlak boven hem. Zijn ouders en vier grootouders bezetten maar de helft van het aantal stoelen. Een glanzend donkergroen tafellaken hing tot halverwege hun kuiten.   Nu en dan viel een doperwtje op de grond, of wat kruimels van het gesneden stokbrood. Brokjes en stukjes van het gesprek bereikten hem ook, maar die waren niet wat hij ervan verwacht had. Ze hadden het over het weer, over mensen die dood waren gegaan en over de nieuwe koelbus.
Michel vroeg zich af wanneer ze de geheimen nu eindelijk zouden bespreken. Volwassenen hadden het altijd over geheimen als kinderen er niet bij waren, dat wist iedereen. Daarom hielden ouders soms plotseling op met praten als hun kinderen binnenkwamen.  Hij geeuwde, geluidloos met zijn hand voor zijn mond.

Plotseling hoorde hij zijn naam. Wat was dat? Hij probeerde zijn oren te spitsen. Hij voelde de spieren in zijn hoofdhuid trekken maar geloofde niet dat zijn oren echt spits werden. Het hielp ook niet om beter te horen.

‘…begint eindelijk aan te spekken’, zei zijn moeder. ‘Binnenkort kunnen we er lekker van eten’.  Opa Willem viel in: ‘Hoor je dat, Marjon? Eten, dat kun je wel, hè!’
Dit keer geen gelach. ‘Nou weten we het wel, Willem.’ Opa Jan klonk geïrriteerd.  ‘Wat zei je, Gemma? Breken de vette jaren eindelijk aan? Werd tijd ook, na al dat werk dat jullie erin hebben gestoken.’
Mama lachte, weer dat kristalheldere lachje. Michel hoorde haar niet vaak lachen. Ze glimlachte soms, als hij zijn speelgoed opruimde of als hij zijn bord leegat. Vooral dat laatste vond ze belangrijk. Hij keek naar zijn buik, die mollig en roze boven zijn pyjamabroek opbolde.

‘Vergeet niet dat we het met heel veel liefde hebben gedaan’,  zei ze. ‘Het was onze droom en we hebben er veel voor gelaten. Na die snelle groei van het afgelopen jaar zijn we eindelijk in staat ervan te eten. Daar deden we het voor, ja toch Rob?’
Michel draaide zich terug op zijn buik. Pas geleden had zijn vader net zoiets tegen hem gezegd: ‘Ongelooflijk hoe jij deze zomer gegroeid bent’. Hij had gelachen en hem een klopje op zijn hoofd gegeven. Daarna was hij naar de keuken gegaan en had vanuit de deuropening een muffin naar hem toegegooid. Michel had hem met een sprongetje uit de lucht gegrist.

‘Ik vind dat jullie het hem eerst moeten vertellen.’ Dat was Oma Kokkie. ‘Het is toch niet eerlijk voor dat joch als jullie dit gaan doen zonder dat hij het van te voren weet?’
‘Nee Ma, dan wordt hij alleen maar bang.’ De diepe stem van papa. ‘Nergens voor nodig. Het is snel genoeg achter de rug.’
‘Maar hoe kun je hem nou niet voorbereiden? Dat is toch zielig!’
Zijn moeder kwam tussenbeide. ‘Lieverd, we waarderen het dat je je zorgen over Michel maakt maar we  hebben er echt goed over nagedacht. We willen dat hij het pas kort van te voren hoort. Het is toch al zo’n piekeraar. Laten we hem nou lekker zorgeloos houden zolang het kan.’
Ze klonk geprikkeld, net zoals ’s avonds als hij niet wilde gaan slapen. Gisteravond was hij netjes op tijd in bed gekropen en ze had hem een stevige welterustenkus op allebei zijn wangen gegeven. Wat had ze ook weer gezegd? Lekkere wangetjes, zoiets. Ze kon hem wel opeten, dat was het. Hij had erom gegiecheld.
Oma Kokkie weer: ‘Maar toch’… Papa viel haar in de rede. ‘Ma, we hebben er niet voor niets al die tijd bovenop gezeten. Wat Gemma al zei: we kunnen er nu van eten, en meer dan dat. Eindelijk zit er een vetrandje aan en dat is voor ons. We houden ontzettend veel van Michel, dat weet je, maar het is niet anders.’

De volwassenen schrokken op uit hun gesprek door een eigenaardig jammergeluid van onder de tafel. Gemma’s ogen werden groot toen ze haar achtjarige zoon opgekruld in een foetushouding op de beschaduwde parketvloer zag liggen.  Hij reageerde niet op haar stem of haar aanrakingen. Nadat zijn vader hem, onhandig in zijn verstarde houding, had opgepakt en naar bed gebracht, bloedde de conversatie al snel dood. Van boven hoorden ze zijn zware voetstappen, het openzwaaien van Michels slaapkamerdeur en daar tussendoor nog steeds het woordloze gejammer.
Haar ouders en schoonouders bleven niet voor de koffie. Oma Kokkie hield haar blik afgewend, knikte stroef in haar richting en liep naar buiten, haar tas in haar magere handen geklemd. Gemma nam afscheid van de anderen en ruimde daarna de tafel op. De jaarrekening van hun cateringbedrijf die ze vol trots hadden laten zien legde ze aan de kant, met daarbovenop de folders van de wintersportvakantie die zij en Rob hadden geboekt. Hun allereerste vakantie zonder Michel.

Fragment van verhaal Thuiszorg

Met het verhaal Thuiszorg heb ik de tweede prijs gewonnen in thrillerwedstrijd Duistere Signalen. Binnenkort verschijnt de megadikke, gelijkluidende verhalenbundel met dit verhaal, en alle andere verhalen die door de jurering zijn gekomen. Lijkt me een heerlijk boek.

Hier een fragment, de eerste alinea’s van het verhaal. Klinkt nog niet als een thriller, hè? Klopt, de spanning volgt pas later in het verhaal.

Thuiszorg

Zijn vingers bewogen soepel langs de snaren van de harp. Elke snaar die hij beroerde vibreerde met een zuivere toon, een kristallen druppel in de mist van straatgeluiden en het zoemen van de koelkast. Een regenbui van fonkelheldere klanken doordrenkte de hoge kamer van zijn smalle woning aan de gracht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan Liebestraum van Liszt.

Een bons, een klap en dan een gierend loeien, boven de muziek uit. Door het matte glas van de kamerdeur zag hij een jonge vrouw door de gang heen en weer lopen. Ze duwde een stofzuiger voort. Zijn vingers vervolgden automatisch hun dans langs de snaren maar de betovering was verbroken. Toen de vrouw de kamerdeur openduwde met haar elleboog terwijl ze met haar andere hand de ouderwets grote stofzuiger langs de deurpost naar binnen sleurde, gaf hij het op. Hij liet zijn handen zakken. De harp trilde na met een enkele noot die verdween in het kabaal van de stofzuiger.