Categorie archief: blogpost

Waarom wordt onze zorgpremie hoger?

 .

Interview met woordvoerder van staatssecretaris Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(spotschrift)

 Waarom wordt onze zorgpremie ieder jaar hoger?

“Zorg wordt steeds duurder. Dat weten de meeste mensen, maar meer uitleg is toch op zijn plaats. Kosten- en efficiencyoverwegingen hebben geleid tot ons nieuwe zorgstelsel. De premies die de verzekeraars vragen, horen bij dit stelsel. Als je kiest voor iets nieuws, dan moet je je daar ook aan committeren. De regering van Nederland doet dat en vaart een standvastige koers.”

Dus waarom wordt onze zorgpremie ieder jaar hoger?

“Zoals ik zojuist uiteenzette heeft dat te maken met ons nieuwe zorgstelsel. Dat moet natuurlijk gefinancierd worden. Behandelingen als een wattenpropje uit een oor halen tot het diagnosticeren van een ingegroeide teennagel hebben allemaal een gestandaardiseerd tarief toegewezen gekregen. Zo is het niet langer strikt noodzakelijk de kosten te berekenen voor welke materialen zijn gebruikt, hoe lang een patiënt bij de specialist is geweest en welke handelingen daadwerkelijk zijn verricht, voor alles wordt simpelweg een alles dekkend, hoog tarief gerekend. Dat is uiterst efficiënt en de verzekeraars zijn dan ook heel content met deze overzichtelijke manier van werken.”

En waarom is het dan dat de premie ieder jaar hoger wordt?

“Graag verwijs ik terug naar mijn eerdere antwoord over de gestandaardiseerde tarieven. Die tarieven hebben niet alleen te maken met de verzekeraars, maar komen ook vanuit de farmaceutische industrie, die medicamenten laat ontwikkelen en ze produceert. Nederland is zich scherp bewust van haar verantwoordelijkheid jegens industrieën die een noodzakelijk product voortbrengen.  Ditzelfde geldt voor de diverse zorgverzekeraars: zij vormen een onmisbare schakel in de keten die leidt naar een optimaal volksgezondheidsbeleid. Vanzelfsprekend hebben zij de vrijheid te handelen naar de voor hen meest optimale kosten-/batenoverwegingen.
Dat is ook voor de Nederlandse burger alleen maar gunstig; immers: een bloeiende industrie brengt werkgelegenheid en dus een gezonde koopkracht met zich mee. En die kan vervolgens prima aangewend worden om de eigen bijdragen op medicijnen te bekostigen.”

Maar waarom wordt de premie dan ieder jaar hoger?

“Ik heb reeds uiteengezet welke krachten inwerken op de tarieven voor de Nederlandse zorg. Indien u gezond en werkende bent en werknemerspremies afdraagt, dan zult u zich er wel van bewust zijn dat u via deze belastingen een aanzienlijk deel van de zorgkosten financiert voor uw mede-Nederlanders. Vooral ouderen en chronisch zieken, die zoals bekend vaker en ernstiger gezondheidsklachten hebben, trekken in dit opzicht uw portemonnee leeg. Hoewel zij zelf ook premies afdragen, is dit onvoldoende om de tarieven zoals eerder uiteengezet volledig te kunnen dekken.

Natuurlijk vinden wij solidariteit het allerhoogste goed, wij Nederlanders zijn er immers voor elkaar. Daar hoort ook bij dat wij samen de zorg in onze maatschappij dragen, in financieel opzicht maar ook door bijvoorbeeld mantelzorg. Ook ú kunt wat doen. Wellicht kunt u uw oudere buurvrouw of grootouders helpen door af en toe hun huis schoon te maken, ze onder de douche te zetten, terminale zorg te verlenen of, als dit alles nog niet aan de orde is, zorg te dragen voor enige informatie waarmee u hun zelfredzaamheid vergroot, zoals het geven van instructie omtrent het bereiken van een vrijwillig levenseinde. Ik heb begrepen dat de onderlinge betrokkenheid in ons land zo hoog is, dat er via internet diverse zeer mensvriendelijke methoden te vinden zijn om snel en pijnloos een einde te maken aan de periode van niet-productiviteit van uw oudere of zieke familielid of kennis. Zij zullen u voor deze informatie ongetwijfeld dankbaar zijn.”

 @Cat Hil 2014. Disclaimer: dit interview evenals de geïnterviewde zijn fictief (echter wel geïnspireerd door werkelijke omstandigheden :-).

zorg-basis-risico
Advertenties

Vrouwenquillerz deel 3

Ik hou wel van die donkere boekomslagen, jullie ook? Dit is een verhalenbundel van Vrouwenthrillers, de derde alweer, samengesteld uit een selectie van de beste verhalen op hun site. Een van die verhalen is door mij geschreven; Interview in de tropen. De gedrukte bundel is te koop, maar ook kosteloos als ebook verkrijgbaar.

Afbeelding

Verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten is verkrijgbaar

De verhalenbundel Oude vrouwen en de geur van chrysanten, het tastbare resultaat van een schrijfwedstrijd van uitgeverij Pamac, verschijnt half september. Mijn verhaal, Blozende bloemen, staat er ook in. 🙂  Het is een verhaal van het type waar ik zelf graag van smul, een vertelling over onverklaarbare gebeurtenissen die leiden tot liefde en nieuwe kansen.
Hieronder een paar alinea’s uit het verhaal. Heb je zin om het boek te bestellen, dan vind ik dat natuurlijk enorm leuk! Je kunt de bestelling via mij doen.

—————-

Fragment uit Blozende bloemen

Dan staat ze stil. Ze kijkt rond, naar de bloemen, de planten, het witgeschilderde en volle interieur van de bloemenstal. Naar haar handen, die nog steeds glad, zacht en pijnloos zijn. Ze buigt haar hoofd en bestudeert haar slanke enkels en rechte voeten, in damesschoenen met kleine hakken en riempjes over de wreef die haar doen denken aan de mode in haar jeugd. Om haar kuiten golft een wijde katoenen jurk.
Rozerood.
Ze doet een paar stappen naar de deuropening en kijkt naar buiten. De emmer en boodschappentrolley zijn verdwenen, maar verder lijkt alles hetzelfde. Alle gebouwen staan er net als altijd; de appartementen aan de overkant en de bijna identieke lage flats die zich honderden meters aan weerszijden herhalen. Toch ziet het bruine baksteen van de woningen er anders uit, lichter, schoner misschien.
Ineens dringt het tot haar door. Het grote verschil. Ze hoort vogels tsjilpen, de wind waaien en nu ze goed luistert ook het hoge lachen van spelende kinderen in de verte. Wat ze niet hoort is het onophoudelijke razen van automotoren dat al tientallen jaren tegen de gevels kaatst.
Of toch: een pruttelend geronk verbreekt de stilte en wordt langzaam luider, tot een zwarte auto de hoek omdraait en in een rustig tempo de bloemenstal voorbijrijdt. Ze heeft geen verstand van auto’s, maar dit is duidelijk een fraaie oldtimer, zo glanzend dat hij nieuw lijkt. De vrouw op de passagiersstoel glimlacht en steekt een hand op. Ze heeft een sjaaltje over haar hoofd gebonden, maar niet zo strak als de hoofddoek van Leny’s Marokkaanse bovenbuurvrouw. Dit is een mondain glanzend doekje van pastelblauwe zijde en lijkt bedoeld te zijn om de blonde watergolfkrullen die eronder vandaan piepen, te beschermen tegen de wind. Opnieuw moet ze denken aan haar jeugd. Haar moeder had een aantal van zulke sjaaltjes, en zijzelf ook. Nog steeds, trouwens.
Weer komt er een auto voorbijrijden, opnieuw zo’n oldtimer in prachtige conditie, hoewel deze er gebruikt en wat stoffig uitziet. Leny staart hem na. Uiteindelijk draait ze zich om, loopt weer naar binnen en zoekt met haar ogen naar de foto aan de muur. Hij is weg. Waar de foto hing, hangt nu een ronde handspiegel met zijn steel aan een spijker.
Leny komt dichterbij. Het verbaast haar niet eens in de spiegel te zien dat haar wangen glad en rond zijn, haar ogen groot en helder en haar huid zacht en blozend als een perzik. Wie de spiegel weerkaatst weet ze niet, maar het is niet haar vertrouwde gezicht dat ze in 82 jaar oud en rimpelig heeft zien worden.

Lekker bekkie

De oude heer zit in een leunstoel. Niet rechtop, maar schuin naar de vrouw rechts van hem gebogen, die onderuitgezakt in een rolstoel zit. Hij houdt haar kleine hand in zijn beide handen en wrijft er over. Zachtjes maar onophoudelijk gaan zijn vingers over haar gevlekte huid. Alsof hij de levenslust erin terug wil wrijven.
Zij kijkt niet naar hem. Soms heft ze haar hoofd met de keurige witte watergolfkrullen en zegt iets: ‘Het duurt lang, hè?’, of ‘Ze lopen daar alsmaar rond’, of ‘We blijven vanavond toch niet lang weg?’
Hij glimlacht en knikt naar haar. ‘Nee hoor, we blijven echt niet lang weg’. Hij brengt haar hand omhoog en kust hem.
Hij weet zeker dat ze niet lang wegblijven, of eigenlijk: dat ze helemaal niet weggaan. De oude heer en de oude mevrouw wonen in een gesloten afdeling en blijven daar. Binnen, in de grote betegelde kamers met kleedjes op de tafels en een televisie die altijd staat te blèren, of buiten op het kleine balkon als het warm genoeg is.
Ze hoort zijn antwoord niet, dat kan ze niet, ze is stokdoof. Maar ze ziet zijn glimlach en die stelt haar gerust. De alertheid zakt langzaam weg uit haar blauwe ogen. Haar blik is doelloos gericht op het doorzichtige kunststof tafelblad dat op de rolstoel is gemonteerd. Het blad is nuttig, de verzorgers kunnen er haar voedsel en drinken opzetten. Het is sterk genoeg om op te leunen en is bovendien stevig vastgemaakt, zodat ze niet kan opstaan uit de rolstoel, ronddwalen en vallen. Er zitten vetvlekken op. Door het blad heen is haar beige pantalon zichtbaar,  helemaal schoon en kreukvrij.

‘Negentienhoeveel is het?’ vraagt hij aan haar kleindochter, die op een te hoge zadelkruk aan haar andere kant zit. ‘Al 2012? Dan ben ik, even nadenken, ik ben van 1918, tachtig plus twaalf, twee, dan ben ik al 94 jaar. Hoe heb ik zo oud kunnen worden? Dat had ik nooit kunnen denken, ongelooflijk’. Hij kijkt naar zijn metgezellin, haalt zijn rechterhand van de hare en streelt haar schouder. ‘En zij is dan 92, want ze is twee jaar jonger dan ik.’
Hij is even stil en glimlacht dan weer, een brede glimlach die een rechte, blanke rij kunsttanden toont. ‘We hebben mekaar op het kerkhof ontmoet. Zij was al weduwe en ik had ook al twee vrouwen begraven. We zochten mekaar daarna  weer op, op zoek naar gezelschap, hè? En we zijn altijd samen gebleven.’ Opnieuw een handkus. ‘Omdat we nog samen zijn ben ik toch wel gelukkig. Als we maar bij mekaar zijn.’
De oude dame heeft geen aandacht voor hem of voor zijn liefdevolle behandeling van haar linkerhand. Haar eigen opmerkingen komen met grote tussenpozen en hebben geen relatie tot zijn woorden. ‘De kinderen zijn nog thuis’, zegt ze, en laat opnieuw haar hoofd zakken.
Hij praat er doorheen. ‘Welk jaar is het? 2012? Dan ben ik, even rekenen hoor. Ik ben dan 94 jaar oud! Wat een leeftijd. En zij is 92, want ze is twee jaar jonger.’ Hij neemt haar hand nog wat steviger tussen de zijne en aait, streelt, wrijft. ‘We ontmoetten elkaar in het zwembad, daar gingen we altijd zwemmen en dan praatten we wat na.’
‘De Waterthor, toch, bij de Thorbeckelaan?’ probeert haar kleindochter, voor wie het verhaal niet nieuw is. ‘Die staat er nog steeds.’
Hij knikt vaag. ‘Ja, ja’.

De oude mevrouw heft haar hoofd, zegt weer wat en zakt weer ineen. De kleindochter heeft het niet verstaan. Ze buigt zich vanaf haar zadelkruk omlaag naar het plastic blad van de rolstoel, zo ver dat ze haar grootmoeder recht aan kan kijken. Die kijkt terug, met ogen die groter lijken dan ooit en zo onbevangen als die van een klein meisje. De kleindochter glimlacht, maar zegt niets. Ze heeft geen woorden meer die kunnen aankomen, ze zouden terugrollen als knikkers tegen een muur zonder holte.

Dan beweegt de oude vrouw. Ze heft een verrassend stabiele hand en legt hem tegen de wang van haar kleindochter. Glimlachend en met heldere stem zegt ze twee duidelijke verstaanbare woorden: ‘Lekker bekkie’.
Dan zakt haar hand weer, en met haar hand zakt ook haar hoofd. Haar blik is weer leeg en even later lijkt ze te slapen. De oude heer en de kleindochter kijken elkaar aan, tot zij zich bukt om een papieren zakdoekje in haar tas te zoeken.

Schrijven: een compleet verhaal in drie zinnen

Driezinnenverhaaltjes zijn handig om complete boekwerken met kop, midden en staart, vast te leggen in een ultracompacte vorm.  Bijzonder nuttig om ideeën onderweg te noteren en als je meer tijd hebt uit te werken tot een compleet verhaal, of om later in verwondering over je eigen absurde hersenspinsels naar te staren. Ook is het aardig om meerdere basisverhalen uit te werken en met elkaar te verweven tot een meer complexe vertelling.

Wat vinden jullie bijvoorbeeld van dit eigenaardige gewrocht:
De vele sproeten op zijn bleke armen kwamen tot leven en vormden woorden. Hij deed wat ze hem vertelden te doen: goede handelingen, onzinnige en ook kwaadaardige. Toen alles wat hij had gedaan met elkaar in verband viel, vielen ook de sproeten stil.

Een wat normaler, maar misschien juist daarom wat minder origineel idee:
Het jongetje stond alleen langs de kant van de weg, met een vuile teddybeer in zijn armen geklemd. De oude vrouw was geschokt door zijn kinderlijke verhalen waarin ze verwaarlozing herkende en nam het kind mee. De ouders van het jochie zochten jarenlang tevergeefs naar hun zoontje en liepen hem uiteindelijk voorbij zonder hem te herkennen.

En een aardig basisscenario voor een film, die spannend of juist lekker fout kan uitpakken:
De stadstrein rijdt langs het vertrouwde spoor, elke dag opnieuw. Niemand beseft dat Harm Jacobs, de onopvallende machinist, niet altijd dezelfde man is. Drie op elkaar lijkende mannen, elk met een min of meer solitaire functie, vallen voor elkaar in als ze een alibi nodig hebben – een van hen is Harm Jacobs.
(Natuurlijk is Harm Jacobs een fictieve naam. )

Een kort verhaaltje als deze kost maar weinig moeite en inspiratie. Een grappige inval, een boeiende situatie of een mooie zin brengt het creatieve proces al op gang. Veel meer dan een kickstart is er niet voor nodig.

Welk van deze drie verhaaltjes vinden jullie het leukste? Laat het me weten! 

Koninginnedag 2012

Koninginnedag heeft voor mij altijd in het teken gestaan van drie personen: Koningin Beatrix, oom Hans en oom Ruud.

Mijn ooms, een tweeling, zijn op Koninginnedag geboren als de kleine broertjes van mijn moeder, die daaruit volgend hun grote zus genoemd kan worden. Nu zijn ‘klein’ en ‘groot’ onbevredigende beschrijvingen van hun familieband. Het duurde niet lang tot de jongetjes hun zus met gemak op de kruin konden kussen. Ook in de breedte overtroffen Hans en Ruud mijn moeder ruimschoots.

Voor mij als kind betekende die bijzondere verjaardag altijd een Koninginnedag met lekkere taartjes en bonbons bij een van de ooms, en daarna pas de vrijmarkt op. Toen ik ouder werd, ging ik als vanzelfsprekend met mijn eigen aanhang bij ze op verjaardagsvisite, meestal bij oom Hans waar ik dan ook oom Ruud zag. Wat een gezelligheid: babbelen met Hans’ levensgezel Jacques, de drie langharige katten aaien en in mijn herinnering was het altijd mooi weer, dus fijn even de tuin in.

Groot was dan ook de verrassing toen Hans en Jacques een keer niet thuis bleken te zijn op Koninginnedag. De heren hadden andere plannen gemaakt. Nooit eerder was het ook maar een seconde bij me opgekomen dat het wel eens behoorlijk vervelend kon zijn om jaar in jaar uit op een nationale feestdag thuis te blijven om opvretende verjaardagsvisite te ontvangen. Ik zette de bloeiende hangplant die ik voor ze had gekocht voor hun deur, reed naar het huis van Ruud die ook al niet thuis was, en liet daar de tweede plant achter.

En zo werd een nieuwe traditie geboren. Ieder jaar op Koninginnedag wurmen we ons langs de kraampjes, kleedjes en oranje Neder-indianen om bij de ooms voor de deur bloemen of perkplantjes achter te laten. Het was niet altijd een succes. Zo vond Ruud ooit pas na drie maanden de schimmelige resten van een grote petunia, nog in het cellofaan gewikkeld, die achter zijn vuilcontainer was gevallen. Hij dacht al die tijd dat ik hem vergeten was, vooral omdat de petunia van Hans juist wel opzichtig bloeiend op de tuintafel stond, met het felicitatiekaartje er nog aan.

Op deze Koninginnedag zal ik weer plantjes kopen en naar ze toe brengen. Ik weet al dat ze niet thuis zijn: liever dan naar de moeder des vaderlands te kijken op televisie, gaan ze naar hun eigen moeder in het verpleeghuis. Hans en Ruud: van harte gefeliciteerd.