De weg naar huis

 

De eerste keer dat Karsten het meisje zag was hij zó dronken, dat hij het later afdeed als verbeelding.

Hij lag op zijn rug op de vuilwitte achterbank van zijn Volkswagen kampeerbusje. Zijn benen pasten niet op de bank. Het rechterbeen bungelde krachteloos tot op de vloer, het linkerbeen was opgetrokken waardoor de urinevlek in zijn broek zichtbaar was voor iedere voorbijganger die de moeite nam naar binnen te kijken. Maar er waren geen voorbijgangers die hem konden zien. Niet op deze parkeerplaats langs de snelweg om twee uur ’s nachts. Er was al lange tijd niemand geweest die Karsten écht zag. Hij leek onzichtbaar te zijn voor de drukbezette leden van de samenleving in hun nooit-eindigende migratie tussen werk, huis en school.
Die dag waren zijn laatste meubels opgehaald door de Kringloop. De paar bezittingen die hij wilde houden lagen in koffers achterin het oude VW-busje. Toen hij niemand meer verwachtte had hij nog een ronde gemaakt door de lege kamers en trok daarna voor de laatste keer de voordeur achter zich dicht. Hij stapte in het busje en draaide de contactsleutel om. Terwijl de motor trillend aansloeg keek hij door het stoffige portierraam naar de benedenwoning waar hij meer dan veertig jaar had gewoond. De jonge gestalte van zijn rechterbuurvrouw verscheen voor haar raam. Hij stak zijn hand op, maar ze was alweer weg. Hij gaf gas en reed de straat uit zonder om te kijken.

Het kleine meisje had al snel begrepen dat het Volkswagenbusje waarin ze woonde weer verkocht was. Ze herkende inmiddels de signalen: het gesprek van de huidige eigenaar met een vreemde, de proefrit, de handdruk en de overhandiging van de sleutels. Ze was op het kleine aanrechtblad geklommen om langs de rafelige gordijntjes naar buiten te turen, in de veilige wetenschap dat ze haar niet konden zien. De oude man die de proefrit had gemaakt zag er triest uit, vond ze. Hij had een gezicht vol vouwen en plooien dat haar deed denken aan lang geleden, toen ze nog een grootvader had. Toen hij moest remmen voor een groep ganzen die over de weg waggelden, had hij geglimlacht. Het was maar een kleine glimlach die hem er niet minder triest uit deed zien, maar de plotselinge vriendelijkheid van zijn uitdrukking trof haar. Ze verloor zich in herinneringen. Heerlijk vond ze het te denken aan haar familie, het spelen buiten, het warme huis met haar eigen kleine kamer. Behalve die ene herinnering die soms toch de kop opstak, van het leuke ritje in de toen nog gloednieuwe Volkswagenbus op weg naar een beloofd ijsje, en niet veel later de pijn van haar eigen stervende lichaam. Haar lichaam werd weggedragen, maar zij was niet meegegaan. Ze bleef. Ze wilde terug naar huis en de bus was de enige plaats waar ze een band met thuis voelde.
Toen ze de onaangename herinneringen eindelijk had weggeduwd, zag ze de oude man opnieuw voorin de bus zitten. Ze wist niet hoeveel tijd er verstreken was, dat wist ze nooit meer. De tijd leek elastisch te zijn, zich dan weer eindeloos uit te strekken om daarna onverwachte sprongen te maken. De man had andere kleren aan en het begon donker te worden. Buiten zoefden de kale takken van de bomen langs het asfalt in hoog tempo voorbij. Alsof hij haar aanwezigheid voelde, keek hij over zijn schouder. Ze trok zich terug in de schaduwen waarin ze zich het grootste deel van de tijd bevond.

 Karsten wist niet hoe ver hij die dag zou rijden en het interesseerde hem ook maar weinig. Niet ver, zo bleek. De avond vond hem laveloos op de achterbank van zijn bus, op nog geen honderd kilometer van zijn voormalige woonplaats. De toppen van zijn vingers raakten het vettige glas van de jeneverfles op de vloer. Zijn neus en tenen prikten, een vage, afstandelijke pijn die het gevolg was van de kille maartse nachtlucht. Hij opende zijn ogen tot spleetjes en probeerde zich zover te draaien dat hij de fles kon grijpen. Een golf van misselijkheid overviel hem. 

Net voordat hij over de rand van de bank kotste, zag hij haar. Een meisje van een jaar of zes met blonde krullen, op haar knieën op de passagiersplaats. Ze keek tussen de twee voorstoelen door langs het piepkleine keukenblok van de kampeerbus. Toen hun blikken elkaar kruisten glimlachte ze. Het was een lieve, verlegen glimlach, stelde hij vast, vlak voordat hij werd overvallen door de heftige samentrekkingen van zijn maag.
Hij viel in slaap met de stank van braaksel in zijn neus. Hij droomde; een kleine speeltuin op een ouderwets dorpsplein, vage beelden van mensen in de keurige kleding van de vroege jaren zestig, en een klein meisje in een witte jurk die met hoge stem ‘slaap, kindje slaap’ zong.

Na een moeizame schoonmaakbeurt ’s ochtends was hij weer onderweg. De kilometers liepen in een beverige lijn onder de Volkswagen door. Waar de lijn hem zou brengen wist hij niet. De aankoop van de kampeerbus was een langgekoesterde droom, waarschijnlijk de enige in zijn leven die hij uit kon laten komen voordat de ouderdom hem definitief neer zou slaan. Als hij een keuze had, en die had hij, verdomme, koos hij ervoor eenzaam te zijn in zijn eigen busje te midden van de natuur, in plaats van in zijn woning in de dichtbevolkte stad.
Die natuur lag op dit moment beslist nog opgerold te huiveren in een donker hol. Een dik wolkendek hield het land gevangen onder een sluier van kou en motregen. Hij draaide de knop van de verwarming hoger.
De kater en het slaapgebrek begonnen hem parten te spelen. Hij probeerde de mist in zijn hoofd te verjagen door naar de radio te luisteren, maar de zenders leken allemaal dezelfde zielloze stampmuziek uit te stoten. Uiteindelijk nam hij genoegen met een compilatie van de Beatles. De Nederlandse meezinger daarna beviel hem niet en hij zette de radio weer uit.
In de plotselinge stilte was het suizen van de wind langs het chassis duidelijk hoorbaar. Het holle, ruisende geluid vulde de auto, zijn oren en zijn hoofd. Hoge en lage tonen wisselden elkaar af, al naar gelang de hoogte van de begroeiing die langs de weg voorbij flitste. De rij bomen en struiken in de berm leek eindeloos door te gaan. Een nieuwe regensluier wikkelde alles in een grijs waas en voegde haar tikkende melodie toe aan het suizen van de wind. Hij voelde zijn oogleden zwaar worden.
Op pure wilskracht concentreerde hij zich op de weg. Hij nam de eerste de beste afslag, en bleef afslaan op steeds smallere wegen. Toen hij geen ander verkeer meer zag, slechts bomen overal om hem heen, trok hij de handrem aan, legde zijn hoofd op het stuur en viel in slaap.

Het onwelluidende gekrijs van een ekster wekte hem uit zijn verdoving.
Hij tilde zijn hoofd van het stuur, wreef in zijn ogen en keek rond. Aan alle kanten groeide frisgroen gebladerte. Kennelijk had de lente dit stukje Nederland toch nog weten te vinden. De Volkswagen stond midden op een bosweg vol plassen.
Hij kreeg geen kans zich verder te oriënteren. Achter hem werd geclaxonneerd. In de achteruitkijkspiegel zag hij een modderige tractor. De bestuurder, een jongeman in een gewatteerde jas en pet, gebaarde naar hem. De bedoeling was niet mis te verstaan: uit de weg.
Karsten gaf gas en reed langzaam naar de kant van de weg. De tractor passeerde en hij reed er in hetzelfde trage tempo achteraan.

Het meisje wipte op haar knieën op en neer op de achterbank. De nevelige bossen kwamen haar bekend voor, maar vooral voelde ze het in haar borst. De onzichtbare band met thuis was opgevlamd en brandde steeds feller. Haar hart zong.
De oude man achter het stuur reed veel te langzaam naar haar zin. Toen, eindelijk, sloeg de tractor voor hen een zijpad in. De weg was vrij en de oude man schakelde naar een hogere versnelling. Een laatste bocht om, de bomen weken uiteen en daar was haar dorp.
Maar alles was anders. Het klinkerpad naar het Dorpsplein was weg, de kerktoren in de verte had een lelijke nieuwe vorm, de arbeidershuizen langs de bosrand waar haar vriendinnetjes woonden hadden plaatsgemaakt voor lage kantoorgebouwen.
Verderop, op het plein, zou haar eigen huis moeten staan. Haar blijdschap maakte plaats voor angstige verwachting. Ze liep naar voren, wurmde zich tussen de twee voorstoelen in en leunde tegen de schouder van de oude man. Na die ene keer toen hij op de achterbank lag was hij zich niet meer van haar bewust geweest, dat wist ze, maar toch leek hij iets te merken. Hij fronste en draaide met zijn schouder.
Ze richtte haar aandacht weer naar buiten. De bus rondde een laatste bocht en ze reden het Dorpsplein op. De oude man leek niet goed te weten wat hij verder zou doen. Hij parkeerde langs de kant van de weg, op de middelste van een rij parkeerplaatsen.
Het meisje lette niet op hem. Ze had gezien waarvoor ze was gekomen. Haar huis, het grote herenhuis aan het plein waarop haar moeder zo trots was, stond er niet meer. Ze kon het niet geloven. Behalve de kerk herkende ze maar weinig. De strakke woningen en appartementengebouwen om hen heen hadden niets gemeen met het huiselijke dorp dat ze zich herinnerde. Ze legde haar hoofd op de schouder van de oude man en snikte het uit.

‘Slaap, kindje slaap…’ Karsten hoorde de woorden onwennig uit zijn mond komen. Het verbaasde hem, alsof plotsklaps een wildvreemde aan het zingen was geslagen. De drang om te troosten en het wiegeliedje te zingen was even snel als onverklaarbaar bij hem opgekomen. De strofen van het korte liedje vloeiden door de bus en brachten de lucht in beweging. Fijne, blonde krullen dansten omhoog en kriebelden tegen zijn wang. Hij draaide zijn hoofd en toen pas zag hij het kleine meisje dat tegen zijn schouder aan stond te huilen. Als in een trance bracht hij zijn arm omhoog en legde zijn hand op haar hoofd. ‘Stil maar, stil maar.’
Het meisje hief haar hoofd. Haar ogen schitterden van de tranen en ze had een kleine snottebel onder haar neus. ‘Ze zijn allemaal weg. Alles is weg’.

‘Alles is weg,’ zei ze tegen de oude man. Dat hij haar kon zien schokte haar, maar op dit moment kon ze daar niet over nadenken.
Hij keek haar ernstig aan met zijn troebele ogen. Door de intensiteit van zijn blik voelde ze zich substantiëler, meer aanwezig, dan ze in lange tijd had gedaan. Het gewicht van zijn hand op haar hoofd was warm en geruststellend. ‘Vast niet,’ zei hij, en glimlachte.
Ze staarde hem aan, glimlachte onwillekeurig terug en op dat moment nam ze een besluit. Abrupt kwam ze overeind en greep zijn hand. ‘Kom mee!’
Ze opende het portier en klauterde het busje uit, zonder hem los te laten. Achter haar hoorde ze hem onhandig stommelen, tot hij ook op het plein stond. Ze had geen aandacht voor zijn trage bewegingen, want ze had iets gezien. Aan de zuidkant van het plein stond de speeltuin, precies zoals ze zich herinnerde, met een schommel en een paar klimtoestellen. Een baan zonlicht brak door de bewolking en baadde de speeltuin in een warm licht. Ze sleurde de oude man voort aan zijn hand. Hij grinnikte, hoorde ze. Zelf grinnikte ze ook.
Ze klom op de schommel. ‘Duwen!’ En hij duwde en duwde, en ze ging hoger en hoger.

De jonge moeder die aan de rand van de speeltuin stond, lachte geamuseerd om het kleine meisje met de blonde krullen. Ze liet zich door haar opa duwen op de schommel en commandeerde hem voort op de momenten dat hij niet genoeg zijn best deed. Haar witte overgooier zwierde in de wind. De opa en het kind straalden allebei van plezier.
De moeder kneep haar ogen half dicht. De zon die af en toe door het wolkendek priemde verblindde haar, zodat ze op die momenten alleen de opa in zijn donkere kleding nog vaag zag staan.
Aan de andere kant van de speeltuin kwamen de ouders van het kind aanlopen; de gelijkenis met de moeder was onmiskenbaar. De vrouw in haar dunne, zomerse bloemenjurk en haar man liepen hand in hand. Ze bleven staan bij de schommel en glimlachten naar hun dochter alsof ze het mooiste schepsel was dat ze ooit hadden gezien. Het meisje sprong op de grond en sloeg haar armen om het middel van haar moeder.
De zon flitste weer over het plein en in haar ogen, en veranderde haar beeld van het gezin in een vaag wit silhouet. Ze verplaatste haar blik naar de oude man.
Hij stond bij de nog traag bewegende schommel en staarde naar het kind alsof hem zojuist iets duidelijk was geworden. Het meisje nam haar beide ouders bij de hand en trok ze mee terug naar de schommel. De oude man knikte toen hij een stevige handdruk van de vader kreeg. De moeder gaf hem een kus. Hij legde zijn hand tegen zijn grijze wang en glimlachte. De uitdrukking van pure vreugde op zijn gerimpelde gezicht maakte hem bijna mooi.
Toen het gezin wegliep bleef de oude man staan, tot het meisje omkeek en hem wenkte. Hij leek nog even te aarzelen en liep toen achter ze aan.

Om onbegrijpelijke redenen voelde de jonge moeder tranen in haar ogen prikken. Ze keek om toen haar zoontje riep. Hij was bovenop de klimtoren aangekomen en zwaaide. Ze stak haar duimen op en zwaaide terug. Toen ze haar blik weer liet afdwalen was het gezin bij de schommel verdwenen. Ze keek rond, maar het plein was uitgestorven. Ze huiverde toen de wind aanwakkerde en de schommel liet zwaaien, alsof hij werd geduwd door een onzichtbare hand.

Advertenties

2 Reacties op “De weg naar huis

  1. kippenvel, Clau…van begin tot eind…heel mooi en indringend!

  2. Pingback: Over verhaal ‘De weg naar huis’ | Cat Hil

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s