Fragment van verhaal Thuiszorg

Met het verhaal Thuiszorg heb ik de tweede prijs gewonnen in thrillerwedstrijd Duistere Signalen. Binnenkort verschijnt de megadikke, gelijkluidende verhalenbundel met dit verhaal, en alle andere verhalen die door de jurering zijn gekomen. Lijkt me een heerlijk boek.

Hier een fragment, de eerste alinea’s van het verhaal. Klinkt nog niet als een thriller, hè? Klopt, de spanning volgt pas later in het verhaal.

Thuiszorg

Zijn vingers bewogen soepel langs de snaren van de harp. Elke snaar die hij beroerde vibreerde met een zuivere toon, een kristallen druppel in de mist van straatgeluiden en het zoemen van de koelkast. Een regenbui van fonkelheldere klanken doordrenkte de hoge kamer van zijn smalle woning aan de gracht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan Liebestraum van Liszt.

Een bons, een klap en dan een gierend loeien, boven de muziek uit. Door het matte glas van de kamerdeur zag hij een jonge vrouw door de gang heen en weer lopen. Ze duwde een stofzuiger voort. Zijn vingers vervolgden automatisch hun dans langs de snaren maar de betovering was verbroken. Toen de vrouw de kamerdeur openduwde met haar elleboog terwijl ze met haar andere hand de ouderwets grote stofzuiger langs de deurpost naar binnen sleurde, gaf hij het op. Hij liet zijn handen zakken. De harp trilde na met een enkele noot die verdween in het kabaal van de stofzuiger.

Wolf en een beetje Roodkapje

Dat arme oude vrouwtje, denkt Wolf. Hij ziet het blije gezicht van Roodkapjes oma al voor zich als hij haar straks zijn zelfgeplukte margrieten komt brengen. Oude mensen zijn eenzaam, dat weet iedereen. En ze is nog ziek ook. Een bloemetje of drie nog, dan is het wel genoeg.

Met de margrieten tussen zijn voetkussentjes geklemd staat hij even later voor een klein huis van witgeschilderd baksteen, midden in het bos. Daar woont ze. De kanten gordijnen voor de ramen zijn gesloten. Roodkapje is er nog niet, die heeft hij zojuist op een open plek zien zitten met een knul. Hij liet zich maar niet zien, maar hij hoorde haar wel zeggen dat ze niet lang kon blijven, omdat ze haar zieke oma boodschappen moest brengen. Naast haar op het mos stond een enorme shopper van de Lidl. Toen Wolf wegsloop zag hij nog net hoe ze een zak mini-Snickers uit de tas trok.

Hij heft een harige klauw en tikt met zijn nagel op de deur.
‘Wie is daar?’ Oma klinkt zwak, beverig.
‘Ik ben het, Roodkapje!’ antwoordt hij ondeugend met een hoge stem. Hij moet er zachtjes om  giechelen. Wat zal ze opkijken.
De krachteloze stem van Oma klinkt opnieuw. ‘Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open.’
Wolf pakt het rafelige touwtje dat uit de brievenbus hangt en trekt. De deur zwaait piepend open. Met één grote sprong staat Wolf midden in de kamer, vlak naast het ziekbed van Oma. ‘Tadáááá!’ schreeuwt hij met een brede lach, zijn voorpoten kolderiek gespreid.

Maar er is iets mis, het klinkt niet als tadáááá, het klinkt als een grauw. Oma verbleekt. Ze grijpt de karaf water van het nachtkastje en gooit die tegen zijn snuit. Wolf krimpt in elkaar van de pijn.
‘Niet doen!’roept hij, maar dan staat ze al voor hem en slaat hem met een zware bijbel links en rechts op zijn kop. ‘Wég!’ schreeuwt ze almaar, ‘wég beest, wég, wég!’
Wolf valt schuin tegen het harde voeteneind van het bed en zoekt om zich heen naar een uitweg, maar de deur is dicht. Oma staat vlak voor hem en hij kan nergens heen. Haar klappen lijken harder en harder te worden, hij hoort haar raspend uitademen bij iedere slag. Zwarte en rode vlekken dansen voor zijn ogen. Hij jankt en huilt tot zijn muil steeds verder opengaat, almaar wijder, en hij voelt de bijbel en de bottige handen van Oma tegen zijn tanden en dan slaan zijn kaken dicht.

Het is stil in het huisje. Oma is verdwenen. Wolf kijkt omlaag naar zijn buik, die zwaar en rond aan  zijn romp hangt. De margrieten liggen vertrapt op de roodgevlekte vloerlatten. Wolf gaat op de rand van het lege bed zitten en slaat zijn klauwen voor zijn ogen.

Blozende bloemen wint plaats in verhalenbundel

Mijn verhaal Blozende bloemen, geschreven naar aanleiding van een wedstrijd van uitgever Pamac, is als een van de winnende verhalen uit de bus gekomen. Het verhaal wordt opgenomen in de verhalenbundel met dezelfde naam als de wedstrijd: Oude vrouwen en de geur van chrysanten.
Een aparte naam voor een schrijfwedstrijd en de resulterende verhalenbundel? Nou en of. Mijn bijdrage is dan ook net zo buitenissig geworden.

De bundel wordt in augustus door Pamac uitgegeven, in gedrukte vorm en wellicht ook als e-book. Mijn complete verhaal is daarin te lezen, maar hier vast een fragment.

Ze verliest bijna haar evenwicht als de deur van de bloemenstal met een zachte klik opengaat. In een reflex grijpt ze naar de deurposten aan weerszijden en stoot hard haar vingers. Ze slaakt een verstikte kreet als ze beseft wat ze doet en dan golft de pijn door haar heen, van haar vingers door haar polsen rechtstreeks naar de traanklieren in haar ogen. Terwijl de tranen over haar wangen rollen ademt ze beverig in en uit.

 Langzaam trekt de pijn weg en komt de wereld weer in focus. Ze staat nog steeds in de deuropening van Blozende Bloemen. De deur staat wijd open en een koude wind blaast regendruppels in haar nek. Twee, drie stappen en dan staat ze midden in de stal, ongeveer op de plek waar vroeger de samengestelde boeketten in een kluitje bij elkaar stonden. Godzijdank kan de wind hier niet komen. In de stal hangt een zware geur van vocht, schimmel en ook van snijbloemen, beseft ze.

Ineens krijgt Leny de zwart-witfoto weer in het oog. De foto is haarscherp, alsof hij gisteren pas is genomen, en het onderwerp is makkelijk te herkennen. Onbegrijpelijk dat ze het van buiten niet zag. Op de foto staat de bloemenstal. Hij moet zijn genomen op een warme en heldere dag. De twee bomen links van de stal zijn een stuk kleiner dan nu en staan vol in het blad. Ze werpen grillige schaduwen over het winkeltje. In de deuropening staat een jonge vrouw. Ze draagt een ouderwetse jurk die op de foto effen grijs lijkt. Rozerood, denkt Leny, en verbaast zich over de gedachte. Die jurk kan elke willekeurige kleur wel hebben gehad. 

Ik hoop dat jullie nieuwsgierig zijn naar de rest! :-)

Lekker bekkie

De oude heer zit in een leunstoel. Niet rechtop, maar schuin naar de vrouw rechts van hem gebogen, die onderuitgezakt in een rolstoel zit. Hij houdt haar kleine hand in zijn beide handen en wrijft er over. Zachtjes maar onophoudelijk gaan zijn vingers over haar gevlekte huid. Alsof hij de levenslust erin terug wil wrijven.
Zij kijkt niet naar hem. Soms heft ze haar hoofd met de keurige witte watergolfkrullen en zegt iets: ‘Het duurt lang, hè?’, of ‘Ze lopen daar alsmaar rond’, of ‘We blijven vanavond toch niet lang weg?’
Hij glimlacht en knikt naar haar. ‘Nee hoor, we blijven echt niet lang weg’. Hij brengt haar hand omhoog en kust hem.
Hij weet zeker dat ze niet lang wegblijven, of eigenlijk: dat ze helemaal niet weggaan. De oude heer en de oude mevrouw wonen in een gesloten afdeling en blijven daar. Binnen, in de grote betegelde kamers met kleedjes op de tafels en een televisie die altijd staat te blèren, of buiten op het kleine balkon als het warm genoeg is.
Ze hoort zijn antwoord niet, dat kan ze niet, ze is stokdoof. Maar ze ziet zijn glimlach en die stelt haar gerust. De alertheid zakt langzaam weg uit haar blauwe ogen. Haar blik is doelloos gericht op het doorzichtige kunststof tafelblad dat op de rolstoel is gemonteerd. Het blad is nuttig, de verzorgers kunnen er haar voedsel en drinken opzetten. Het is sterk genoeg om op te leunen en is bovendien stevig vastgemaakt, zodat ze niet kan opstaan uit de rolstoel, ronddwalen en vallen. Er zitten vetvlekken op. Door het blad heen is haar beige pantalon zichtbaar,  helemaal schoon en kreukvrij.

‘Negentienhoeveel is het?’ vraagt hij aan haar kleindochter, die op een te hoge zadelkruk aan haar andere kant zit. ‘Al 2012? Dan ben ik, even nadenken, ik ben van 1918, tachtig plus twaalf, twee, dan ben ik al 94 jaar. Hoe heb ik zo oud kunnen worden? Dat had ik nooit kunnen denken, ongelooflijk’. Hij kijkt naar zijn metgezellin, haalt zijn rechterhand van de hare en streelt haar schouder. ‘En zij is dan 92, want ze is twee jaar jonger dan ik.’
Hij is even stil en glimlacht dan weer, een brede glimlach die een rechte, blanke rij kunsttanden toont. ‘We hebben mekaar op het kerkhof ontmoet. Zij was al weduwe en ik had ook al twee vrouwen begraven. We zochten mekaar daarna  weer op, op zoek naar gezelschap, hè? En we zijn altijd samen gebleven.’ Opnieuw een handkus. ‘Omdat we nog samen zijn ben ik toch wel gelukkig. Als we maar bij mekaar zijn.’
De oude dame heeft geen aandacht voor hem of voor zijn liefdevolle behandeling van haar linkerhand. Haar eigen opmerkingen komen met grote tussenpozen en hebben geen relatie tot zijn woorden. ‘De kinderen zijn nog thuis’, zegt ze, en laat opnieuw haar hoofd zakken.
Hij praat er doorheen. ‘Welk jaar is het? 2012? Dan ben ik, even rekenen hoor. Ik ben dan 94 jaar oud! Wat een leeftijd. En zij is 92, want ze is twee jaar jonger.’ Hij neemt haar hand nog wat steviger tussen de zijne en aait, streelt, wrijft. ‘We ontmoetten elkaar in het zwembad, daar gingen we altijd zwemmen en dan praatten we wat na.’
‘De Waterthor, toch, bij de Thorbeckelaan?’ probeert haar kleindochter, voor wie het verhaal niet nieuw is. ‘Die staat er nog steeds.’
Hij knikt vaag. ‘Ja, ja’.

De oude mevrouw heft haar hoofd, zegt weer wat en zakt weer ineen. De kleindochter heeft het niet verstaan. Ze buigt zich vanaf haar zadelkruk omlaag naar het plastic blad van de rolstoel, zo ver dat ze haar grootmoeder recht aan kan kijken. Die kijkt terug, met ogen die groter lijken dan ooit en zo onbevangen als die van een klein meisje. De kleindochter glimlacht, maar zegt niets. Ze heeft geen woorden meer die kunnen aankomen, ze zouden terugrollen als knikkers tegen een muur zonder holte.

Dan beweegt de oude vrouw. Ze heft een verrassend stabiele hand en legt hem tegen de wang van haar kleindochter. Glimlachend en met heldere stem zegt ze twee duidelijke verstaanbare woorden: ‘Lekker bekkie’.
Dan zakt haar hand weer, en met haar hand zakt ook haar hoofd. Haar blik is weer leeg en even later lijkt ze te slapen. De oude heer en de kleindochter kijken elkaar aan, tot zij zich bukt om een papieren zakdoekje in haar tas te zoeken.

Schrijven: een compleet verhaal in drie zinnen

Driezinnenverhaaltjes zijn handig om complete boekwerken met kop, midden en staart, vast te leggen in een ultracompacte vorm.  Bijzonder nuttig om ideeën onderweg te noteren en als je meer tijd hebt uit te werken tot een compleet verhaal, of om later in verwondering over je eigen absurde hersenspinsels naar te staren. Ook is het aardig om meerdere basisverhalen uit te werken en met elkaar te verweven tot een meer complexe vertelling.

Wat vinden jullie bijvoorbeeld van dit eigenaardige gewrocht:
De vele sproeten op zijn bleke armen kwamen tot leven en vormden woorden. Hij deed wat ze hem vertelden te doen: goede handelingen, onzinnige en ook kwaadaardige. Toen alles wat hij had gedaan met elkaar in verband viel, vielen ook de sproeten stil.

Een wat normaler, maar misschien juist daarom wat minder origineel idee:
Het jongetje stond alleen langs de kant van de weg, met een vuile teddybeer in zijn armen geklemd. De oude vrouw was geschokt door zijn kinderlijke verhalen waarin ze verwaarlozing herkende en nam het kind mee. De ouders van het jochie zochten jarenlang tevergeefs naar hun zoontje en liepen hem uiteindelijk voorbij zonder hem te herkennen.

En een aardig basisscenario voor een film, die spannend of juist lekker fout kan uitpakken:
De stadstrein rijdt langs het vertrouwde spoor, elke dag opnieuw. Niemand beseft dat Harm Jacobs, de onopvallende machinist, niet altijd dezelfde man is. Drie op elkaar lijkende mannen, elk met een min of meer solitaire functie, vallen voor elkaar in als ze een alibi nodig hebben – een van hen is Harm Jacobs.
(Natuurlijk is Harm Jacobs een fictieve naam. )

Een kort verhaaltje als deze kost maar weinig moeite en inspiratie. Een grappige inval, een boeiende situatie of een mooie zin brengt het creatieve proces al op gang. Veel meer dan een kickstart is er niet voor nodig.

Welk van deze drie verhaaltjes vinden jullie het leukste? Laat het me weten! 

Koninginnedag 2012

Koninginnedag heeft voor mij altijd in het teken gestaan van drie personen: Koningin Beatrix, oom Hans en oom Ruud.

Mijn ooms, een tweeling, zijn op Koninginnedag geboren als de kleine broertjes van mijn moeder, die daaruit volgend hun grote zus genoemd kan worden. Nu zijn ‘klein’ en ‘groot’ onbevredigende beschrijvingen van hun familieband. Het duurde niet lang tot de jongetjes hun zus met gemak op de kruin konden kussen. Ook in de breedte overtroffen Hans en Ruud mijn moeder ruimschoots.

Voor mij als kind betekende die bijzondere verjaardag altijd een Koninginnedag met lekkere taartjes en bonbons bij een van de ooms, en daarna pas de vrijmarkt op. Toen ik ouder werd, ging ik als vanzelfsprekend met mijn eigen aanhang bij ze op verjaardagsvisite, meestal bij oom Hans waar ik dan ook oom Ruud zag. Wat een gezelligheid: babbelen met Hans’ levensgezel Jacques, de drie langharige katten aaien en in mijn herinnering was het altijd mooi weer, dus fijn even de tuin in.

Groot was dan ook de verrassing toen Hans en Jacques een keer niet thuis bleken te zijn op Koninginnedag. De heren hadden andere plannen gemaakt. Nooit eerder was het ook maar een seconde bij me opgekomen dat het wel eens behoorlijk vervelend kon zijn om jaar in jaar uit op een nationale feestdag thuis te blijven om opvretende verjaardagsvisite te ontvangen. Ik zette de bloeiende hangplant die ik voor ze had gekocht voor hun deur, reed naar het huis van Ruud die ook al niet thuis was, en liet daar de tweede plant achter.

En zo werd een nieuwe traditie geboren. Ieder jaar op Koninginnedag wurmen we ons langs de kraampjes, kleedjes en oranje Neder-indianen om bij de ooms voor de deur bloemen of perkplantjes achter te laten. Het was niet altijd een succes. Zo vond Ruud ooit pas na drie maanden de schimmelige resten van een grote petunia, nog in het cellofaan gewikkeld, die achter zijn vuilcontainer was gevallen. Hij dacht al die tijd dat ik hem vergeten was, vooral omdat de petunia van Hans juist wel opzichtig bloeiend op de tuintafel stond, met het felicitatiekaartje er nog aan.

Op deze Koninginnedag zal ik weer plantjes kopen en naar ze toe brengen. Ik weet al dat ze niet thuis zijn: liever dan naar de moeder des vaderlands te kijken op televisie, gaan ze naar hun eigen moeder in het verpleeghuis. Hans en Ruud: van harte gefeliciteerd.

Schaatsverhaal in bundel 50 jaar Groeistad Zoetermeer

Mijn verhaal ‘Schaatsen op de Schinkel’ is opgenomen in de verhalenbundel ‘50 jaar Groeistad Zoetermeer’, dit naar aanleiding van de gelijkluidende schrijfwedstrijd. Volgens het jurycommentaar behoorde het verhaal tot de drie literair sterkste inzendingen. “Goed geschreven in heldere taal en met sprekende beelden voor de lezer”, aldus de jury. “Echt een stukje proza en favoriet bij een van de juryleden”.
Het verhaal was niet Zoetermeer-specifiek genoeg om met een prijs naar huis te gaan, maar omdat het zo prachtig was geschreven is het toch geselecteerd voor de bundel, volgens het  jurycommentaar. Prijs of geen prijs, dat was erg leuk om te horen.